Les 2 — Sabbat, 11 juli 2026
De Behoefte van de Zondaar aan Christus
Tekst om te onthouden
Tekst om te onthouden: “Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien” (Johannes 3:3).
Johannes 3:3
“De enige hoop voor verlossing van ons gevallen geslacht is in Christus.” –De Wens der Eeuwen, blz. 114.
Aanvullende studie:: –Schreden naar Christus, hoofdstuk 2, blz. 19-26.
A. Beschrijf de oorspronkelijke toestand van de mens in Eden.
26En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
27En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.
31En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.
5Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?
6En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
“De mens had heel in het begin zuivere mogelijkheden en een evenwichtige geest. Hij was een volmaakt wezen en leefde in harmonie met God.” –Schreden naar Christus, blz. 19.
“De mens zou het beeld van God dragen, zowel uiterlijk als innerlijk. Christus alleen is ‘het uitgedrukte beeld’ (Hebreeën 1:3) van de Vader; maar de mens werd geschapen naar het beeld van God. Zijn natuur was in overeenstemming met Gods wil. Zijn verstand was in staat goddelijke dingen te bevatten. Zijn genegenheden waren zuiver; zijn eetlust en hartstocht stonden onder de controle van het verstand. Hij was heilig en gelukkig in het dragen van Gods beeld en in volkomen gehoorzaamheid aan Zijn wil.” —Patriarchen en Profeten, blz. 20.
B. Hoe probeerde Satan het goddelijke plan in de schepping van de mens te dwarsbomen?
1De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?
2En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten;
3Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.
4Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;
5Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.
6En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.
7Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.
16Weet gij niet, dat wien gij uzelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
16Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.
“Maar door zijn ongehoorzaamheid werden zijn krachten aangetast. Zelfzucht nam de plaats in van liefde. Zijn wezen werd zo verzwakt door de zonde, dat het niet langer mogelijk was om in eigen kracht de macht van het kwaad te weerstaan. De mens werd een gevangene van de satan en hij zou dat altijd zijn gebleven, als God niet op een speciale manier tussenbeide was gekomen. Het was de bedoeling van de verleider om het plan, dat God met de schepping van de mens had, in de war te sturen en om de aarde te vullen met ellende en narigheid. En dan zou hij naar al dit kwaad kunnen wijzen als het resultaat van het feit, dat God de mens had geschapen.” –Schreden naar Christus, blz. 19.