Les 7 — Sabbat, 16 mei 2020
De opstand van Korach, Dathan en Abiram
Tekst om te onthouden
“En zij (Korach, Dathan en Abiram) stonden op voor het aangezicht van Mozes, alsmede tweehonderd vijftig mannen uit de kinderen Israëls, oversten van de vergadering, de geroepenen der samenkomst, mannen van naam”
Numeri 16:2
“De vroegere opstanden waren vaak niet meer dan een volksoploop geweest, als resultaat van de opwinding van de menigte, maar nu werd een complot gesmeed met als doel het omverwerpen van het gezag der leiders, die God had aangesteld.” –Patriarchen en Profeten, blz. 358.
Aanvullende studie: -Patriarchen en Profeten, blz. 358-368.
A. Welke samenzwering ontstond onder de Israëlieten, terwijl zij zich opwonden over het besluit van de Heer, dat zij veertig jaar door de woestijn moesten ronddwalen? Wie waren de belangrijkste samenzweerders?
1Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, den zoon van Peleth, zonen van Ruben.
2En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, mitsgaders tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen Israels, oversten der vergadering, de geroepenen der samenkomst, mannen van naam.
3En zij vergaderden zich tegen Mozes, en tegen Aaron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze ganse vergadering, zij allen, zijn heilig, en de HEERE is in het midden van hen; waarom dan verheft gijlieden u over de gemeente des HEEREN?
B. Welke test stelde Mozes voor aan de samenzweerders om de goddelijke oproep te bewijzen? Waarom waren de mensen geneigd om met de rebellen te sympathiseren?
4Als Mozes dit hoorde, zo viel hij op zijn aangezicht.
5En hij sprak tot Korach, en tot zijn ganse vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal de HEERE bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, dien Hij tot Zich zal doen naderen; en wien Hij verkoren zal hebben, dien zal Hij tot Zich doen naderen.
6Doet dit: neemt u wierookvaten, Korach en zijn ganse vergadering;
7En doet morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor het aangezicht des HEEREN; en het zal geschieden, dat de man, dien de HEERE verkiezen zal, die zal heilig zijn. Het is te veel voor u, gij, kinderen van Levi!
16Voorts zeide Mozes tot Korach: Gij, en uw ganse vergadering, weest voor het aangezicht des HEEREN; gij, en zij, ook Aaron, op morgen.
17En neemt een ieder zijn wierookvat, en legt reukwerk daarin, en brengt voor het aangezicht des HEEREN, een ieder zijn wierookvat, tweehonderd en vijftig wierookvaten; ook gij, en Aaron, een ieder zijn wierookvat.
18Zo namen zij een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en legden reukwerk daarin; en zij stonden voor de deur van de tent der samenkomst, ook Mozes en Aaron.
“Zij, die ongelijk hebben en straf verdienen, horen niets liever dan blijken van medeleven en eerbewijs.” –Patriarchen en Profeten, blz. 360.
“De mensen dachten dat, als Korach hen kon leiden en aanmoedigen en bij hun rechtvaardige daden zou blijven stilstaan, zouden zij, in plaats van hen aan hun mislukkingen te herinneren, een zeer vredige, voorspoedige reis hebben, en hij zou hen zonder twijfel leiden, niet heen en weer in de woestijn, maar in het beloofde land. Zij zeiden, dat het Mozes was, die hun had verteld, dat zij het land niet konden ingaan, en dat de Heer het niet zo had gezegd.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 31.
A. Hoe probeerde Mozes te redeneren met de belangrijkste rebellen, en van wat beschuldigden zij hem?
8Voorts zeide Mozes tot Korach: Hoort toch, gij, kinderen van Levi!
9Is het u te weinig, dat de God van Israel u van de vergadering van Israel heeft afgescheiden, om ulieden tot Zich te doen naderen; om den dienst van des HEEREN tabernakel te bedienen, en te staan voor het aangezicht der vergadering, om hen te dienen?
10Daar Hij u, en al uw broederen, de kinderen van Levi, met u, heeft doen naderen; zoekt gij nu ook het priesterambt?
11Daarom gij, en uw ganse vergadering, gij zijt vergaderd tegen den HEERE, want Aaron, wat is hij, dat gij tegen hem murmureert?
12En Mozes schikte heen, om Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, te roepen; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen!
13Is het te weinig, dat gij ons uit een land, van melk en honig vloeiende, hebt opgevoerd, om ons te doden in de woestijn, dat gij ook uzelven ten enenmaal over ons tot een overheer maakt?
14Ook hebt gij ons niet gebracht in een land, dat van melk en honig vloeit, noch ons akkers en wijngaarden ten erfdeel gegeven. Zult gij de ogen dezer mannen uitgraven? Wij zullen niet opkomen!
15Toen ontstak Mozes zeer, en hij zeide tot den HEERE: Zie hun offer niet aan! Ik heb niet een ezel van hen genomen, en niet een van hen kwaad gedaan.
“Datan en Abiram hadden zich niet zo hardnekkig verzet als Korach; en Mozes, die hoopte, dat ze nog niet volkomen verdorven waren door de samenzwering, riep hen op om voor hem te verschijnen, zodat ze hun klachten tegen hem zouden kunnen inbrengen. Maar ze wilden niet komen, en weigerden zo onbeschaamd zijn gezag te erkennen…
Zo pasten ze de beschrijving van de Here aangaande het beloofde land toe op het land van hun dienstbaarheid. Ze beschuldigden Mozes, dat hij zich voordeed als iemand, die handelt onder goddelijke leiding, om daardoor zijn eigen gezag te handhaven…
Duidelijk bleek, dat het volk achter de ontevredenen stond; maar Mozes deed geen poging zich te rechtvaardigen. Plechtig beriep hij zich in de tegenwoordigheid van de vergadering op God als Getuige van de zuiverheid van zijn bedoelingen en de oprechtheid van zijn gedrag, en smeekte Hem als zijn Rechter op te treden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 362.
B. Welke inspanningen leverden Mozes en Aäron om de vergadering van vernietiging te redden? Wat was het gevolg van hun inspanningen?
22Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God der geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult Gij U over deze ganse vergadering grotelijks vertoornen?
23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
24Spreek tot deze vergadering, zeggende: Gaat op van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram.
25Toen stond Mozes op, en ging tot Dathan en Abiram; en achter hem gingen de oudsten van Israel.
26En hij sprak tot de vergadering, zeggende: Wijkt toch af van de tenten dezer goddeloze mannen, en roert niets aan van hetgeen hunner is, opdat gij niet misschien verdaan wordt in al hun zonden.
27Zo gingen zij op van de woning van Korach, Dathan en Abiram, van rondom; maar Dathan en Abiram gingen uit, staande in de deur hunner tenten, met hun vrouwen, en hun zonen, en hun kinderkens.
28Toen zeide Mozes: Hieraan zult gij bekennen, dat de HEERE mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.
29Indien deze zullen sterven, gelijk alle mensen sterven, en over hen een bezoeking zal gedaan worden, naar aller mensen bezoeking, zo heeft mij de HEERE niet gezonden.
30Maar indien de HEERE wat nieuws zal scheppen, en het aardrijk zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat hunner is, en zij levend ter helle zullen nedervaren; alsdan zult gij bekennen, dat deze mannen de HEERE getergd hebben.
“Ze (Mozes en Aäron) vielen op hun aangezicht, met de bede: ‘O God, God der geesten van alle levende schepselen, als één man zondigt, zult Gij dan tegen de gehele vergadering toornen?’
Korach had zich van de vergadering gescheiden om zich bij Datan en Abiram te voegen, toen Mozes en de zeventig oudsten uitgingen om de mannen, die geweigerd hadden bij hem te komen, voor de laatste maal te waarschuwen. De menigte volgde, en eer Mozes zijn boodschap overbracht, verzocht hij op Gods bevel het volk: ‘Wijkt toch van de tenten dezer goddeloze mannen en raakt niets aan, dat hun toebehoort, opdat gij niet door al hun zonden wordt weggeraapt’. Aan deze waarschuwing werd gehoor gegeven, want allen hadden een voorgevoel van een naderend oordeel. De voornaamste opstandelingen zagen zich verlaten door hen, die ze misleid hadden, maar ze bleven even hardnekkig. Met hun gezinnen stonden ze voor hun tenten, alsof ze Gods waarschuwing uitdaagden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 363.
A. Welk lot overkwam de rebellen?
31En het geschiedde, als hij geeindigd had al deze woorden te spreken, zo werd het aardrijk, dat onder hen was, gekloofd;
32En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de have.
33En zij voeren neder, zij en alles wat hunner was, levend ter helle; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden der gemeente.
34En het ganse Israel, dat rondom hen was, vlood voor hun geschrei; want zij zeiden: Dat ons de aarde misschien niet verslinde!
35Daartoe ging een vuur uit van den HEERE, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden.
“De ogen van heel Israël waren op Mozes gericht, terwijl ze vol angst het gebeuren afwachtten. Toen hij zweeg, opende de aarde zich, en de opstandelingen werden levend begraven met alles wat hun toebehoorde, en ze kwamen om te midden der vergadering. Het volk vluchtte, daar het zich schuldig voelde aan dezelfde zonde.
Maar aan het oordeel was nog geen einde gekomen. Vuur uit de wolk verteerde de tweehonderd vijftig vorsten, die wierook geofferd hadden. Deze mannen, die niet tot de aanstokers van de opstand behoorden, werden niet gelijktijdig met de voornaamste samenzweerders gestraft. Ze mochten hun einde aanschouwen, en kregen de gelegenheid zicht te keren; maar ze kozen de zijde van de opstandelingen, en deelden in hun lot.” –Patriarchen en Profeten, blz. 363.
B. Hoe weten wij, dat God niet onzorgvuldig straft? Wie werd gespaard? Welke lessen kunnen wij hiervan leren?
16De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden.
9En de zonen van Eliab waren Nemuel, en Dathan, en Abiram; deze Dathan en Abiram waren de geroepenen der vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aaron, in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen den HEERE maakten.
10En de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden tot een teken.
11Maar de kinderen van Korach stierven niet.
19En Sallum, de zoon van Kore, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah, en zijn broeders van het huis zijns vaders, de Korathieten, waren over het werk van den dienst, wachters der dorpelen des tabernakels; gelijk hun vaders in het leger des HEEREN geweest waren bewaarders van den ingang;
“De kinderen werden niet veroordeeld voor de zonden van hun ouders; maar wanneer de kinderen met de kennis van al het licht, dat aan hun ouders werd geschonken, ook het licht, dat zijzelf nog hadden verkregen, zouden verwerpen, werden ze medeschuldig aan de overtredingen van de ouders en maakten ze de maat van hun ongerechtigheid vol.” –De Grote Strijd, blz. 26.
“Toen Mozes Israël bad om de komende ondergang te ontvlieden, had Gods oordeel nog afgewend kunnen worden, wanneer Korach en de zijnen berouw hadden getoond en vergiffenis hadden gezocht. Maar hun halsstarrigheid bezegelde hun ondergang…
Toch maakte God in Zijn grote lankmoedigheid onderscheid tussen de leiders van de opstand en hen, die zich lieten meeslepen. Het volk, dat zich had laten verleiden, kreeg gelegenheid zich te bekeren. Het had overvloedige bewijzen gekregen van hun ongelijk en van het feit, dat Mozes in het gelijk stond. De duidelijke manifestatie van Gods macht had alle twijfel verdreven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 363-364.
C. Welk gebruik werd gemaakt van de wierookvaten van de opstandelingen? Met welk doel?
36En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
37Zeg tot Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, dat hij de wierookvaten uit den brand opneme; en strooi het vuur verre weg; want zij zijn heilig;
38Te weten de wierookvaten van dezen, die tegen hun zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overdeksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht des HEEREN, daarom zijn zij heilig; en zij zullen den kinderen Israels tot een teken zijn.
39En Eleazar, de priester, nam de koperen wierookvaten, die de verbranden gebracht hadden, en zij rekten ze uit tot een overtreksel voor het altaar;
40Ter nagedachtenis voor de kinderen Israels, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aaron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht des HEEREN; opdat hij niet worde als Korach, en zijn vergadering, gelijk als hem de HEERE door den dienst van Mozes gesproken had.
A. Welke koers volgden zij de volgende dag tegenover Mozes en Aäron, ondanks de bewijzen, die aan de vergadering waren gegeven?
41Maar des anderen daags murmureerde de ganse vergadering der kinderen Israels tegen Mozes en tegen Aaron, zeggende: Gijlieden hebt des HEEREN volk gedood!
“Men kan God nauwelijks een grotere beledeging aandoen dan de werktuigen te minachten en te verwerpen, die Hij voor hun zaligheid had willen gebruiken. Niet alleen dit hadden de Israëlieten gedaan, ze waren ook van plan geweest Mozes en Aäron te doden. Toch beseften ze niet de noodzaak om bij God vergiffenis te zoeken voor deze grote zonde. Die nacht van onderzoek werd niet doorgebracht in berouw en schuldbelijdenis, maar in het bedenken van wegen om weerstand te bieden aan de bewijzen, dat ze de voornaamste van alle zondaars waren. Nog steeds haatten ze de mannen, die door God waren aangesteld, en ze besloten zich te verzetten tegen hun gezag. Satan stond gereed hun oordeel te misbruiken en hen geblinddoekt naar de ondergang te leiden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 364.
B. Op welke manier kwam de Heer opnieuw tussenbeide met een zware straf, en wat deden Mozes en Aäron om het oordeel af te wenden?
44Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
45Maak u op uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen verteren, als in een ogenblik! Toen vielen zij op hun aangezichten.
46En Mozes zeide tot Aaron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastelijk gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht des HEEREN uitgegaan, de plaag heeft aangevangen.
47En Aaron nam het, gelijk als Mozes gesproken had, en liep in het midden der gemeente, en ziet, de plaag had aangevangen onder het volk; en hij legde reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk.
48En hij stond tussen de doden en tussen de levenden; alzo werd de plaag opgehouden.
49Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve die gestorven waren om de zaak van Korach.
“Zelfs nadat God Zijn hand uitstrekte, de aarde de boosdoeners verzwolg en het volk ontzet naar hun tenten vluchtte, was hun opstand niet genezen. De diepte van hun ontevredenheid kwam tot uiting, zelfs onder Gods oordelen. De dag na de vernietiging van Korach, Dathan en Abiram en hun metgezellen kwam het volk bij Mozes en Aäron met de woorden: ‘Gij hebt het volk des Heren gedood.’ Om deze valse beschuldiging tegen Gods dienstknechten werden nog eens duizenden gedood, want in hen leefde zonde, zelfverheffing en aanmatigende boosheid.” –Bijbelkommentaar, blz. 57.
“Mozes voelde zich niet schuldig en daarom was hij niet bevreesd, en haastte hij zich niet weg om de vergadering te laten omkomen. Mozes toefde, en openbaarde in deze hachelijke crisis de belangstelling van de ware herder voor de kudde, die aan zijn zorg is toevertrouwd. Hij smeekte, dat Gods toorn het volk, dat Hij gekozen had, niet volledig zou vernietigen. Door zijn tussenkomst hield hij de arm der wrake tegen, zodat niet een eind werd gemaakt aan het ongehoorzame, opstandige Israël…
Terwijl de rook van de wierook opsteeg, bad Mozes in de tabernakel tot God en werd de plaag een halt toegeroepen; maar veertienduizend Israëlieten lagen dood, als teken van de schuld van hun morren en opstand.” –Patriarchen en Profeten, blz. 365.
A. Welke test regelde de kwestie van het priesterschap voor altijd, en waar werd Aärons staf bewaard als een getuige?
1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot de kinderen Israels, en neem van hen voor elk vaderlijk huis een staf, van al hun oversten, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven; eens iegelijken naam zult gij schrijven op zijn staf.
3Doch Aarons naam zult gij schrijven op den staf van Levi; want een staf zal er zijn voor het hoofd van het huis hunner vaderen.
4En gij zult ze wegleggen in de tent der samenkomst, voor de getuigenis, waarheen Ik met ulieden samenkomen zal.
5En het zal geschieden, dat de staf des mans, welke Ik zal verkoren hebben, zal bloeien; en Ik zal stillen de murmureringen van de kinderen Israels tegen Mij, welke zij tegen ulieden murmureerden.
6Mozes dan sprak tot de kinderen Israels, en al hun oversten gaven aan hem een staf, voor elken overste een staf, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven; Aarons staf was ook onder hun staven.
7En Mozes legde deze staven weg, voor het aangezicht des HEEREN, in de tent der getuigenis.
8Het geschiedde nu des anderen daags, dat Mozes in de tent der getuigenis inging; en ziet, Aarons staf, voor het huis van Levi, bloeide; want hij bracht bloeisel voort, en bloesemde bloesem, en droeg amandelen.
9Toen bracht Mozes al deze staven uit, van voor het aangezicht des HEEREN, tot al de kinderen Israels; en zij zagen het, en namen elk zijn staf.
10Toen zeide de HEERE tot Mozes: Breng de staf van Aaron weder voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de wederspannige kinderen; alzo zult gij een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven.
11En Mozes deed het; gelijk als de HEERE hem geboden had, alzo deed hij.
“Alle opmerkelijke veranderingen in de staf vonden in één nacht plaats, om hen te overtuigen, dat God duidelijk onderscheid had gemaakt tussen Aäron en de rest van de kinderen Israëls.” –Bijbelkommentaar, blz. 59.
B. Welke waarschuwing komt tot ons van die grote opstand?
10En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.
11En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.
“Bestaan ook nu niet de zonden, die de oorzaak waren van de ondergang van Korach? Trots en eerzucht zijn alom verbreid; en waar ze gekoesterd worden, openen ze de weg tot nijd, en een streven naar macht; de ziel wordt vervreemd van God, en onbewust raakt ze in de macht van Satan.
Evenals Korach en zijn metgezellen zijn er velen, zelfs onder de belijdende christenen, die plannen maken en werken voor zelfverheffing, om zo de sympathie en steun te krijgen van anderen, zodat ze zelfs bereid zijn de waarheid te verdraaien, en de dienstknechten des Heren in een onjuist daglicht te plaatsen, en hen beschuldigen van de laaghartige en zelfzuchtige motieven, die in hun eigen hart leven. Door hardnekkig vast te houden aan deze leugens, al zijn deze in strijd met elk bewijs, komen ze ten slotte ertoe deze als waar te geloven. Terwijl ze trachten het vertrouwen te vernietigen in mannen, die door God zijn gekozen, menen ze werkelijk, dat ze een goed werk doen en Gods wil volbrengen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 366.
Terugblik
1. Welke houding is aangenaam voor het natuurlijke hart, als wij verkeerd doen?2. Wat was belangrijk voor hun gezinnen, die naast hen stonden, toen Dathan en Abiram weigerden te komen praten met Mozes?3. Welke les kunnen wij leren van Gods handelen met de kinderen van Korach?4. Wat was het antwoord van het volk na de vernietiging van Korach, Dathan, Abiram en hun bondgenoten? Waarom is deze houding zo gevaarlijk?5. Welke gekoesterde houding lag ten grondslag aan de opstand tegen God?