Les 6 — Sabbat, 9 mei 2020
De opstand te Kades
Tekst om te onthouden
“Doch Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, waarin hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten”
Numeri 14:24
“De Here beloofde, dat Hij Israël niet aanstonds zou uitroeien; maar vanwege hun ongeloof en lafhartigheid kon Hij Zijn macht niet tonen in het verdelgen van hun vijanden. Daarom gaf Hij in Zijn barmhartigheid hun bevel, als de enig veilige weg, terug te keren naar de Rode Zee.” –Patriarchen en Profeten, blz. 354.
Aanvullende studie: -Patriarchen en Profeten, blz. 350-357.
A. Met welk doel werden verspieders uit Kades in het land Kanaän gestuurd? Wiens idee was het eigenlijk, dat de verspieders het land Kanaän binnengingen?
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
2Zend u mannen uit: die het land Kanaan verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israels geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.
3Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israels.
17Mozes dan zond hen, om het land Kanaan te verspieden; en hij zeide tot hen: Trekt dit henen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte;
18En beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel;
19En hoedanig het land zij, waarin hetzelve woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn, in dewelke hetzelve woont, of in legers, of in sterkten;
20Ook hoedanig het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht des lands. Die dagen nu waren de dagen der eerste vruchten van de wijndruiven.
20Toen zeide ik tot ulieden: Gij zijt gekomen tot het gebergte der Amorieten, dat de HEERE, onze God, ons geven zal.
21Ziet, de HEERE, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de HEERE, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet, en ontzet u niet.
22Toen naderdet gij allen tot mij, en zeidet: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons bescheid wederbrengen, wat weg wij daarin optrekken zullen, en tot wat steden wij komen zullen.
23Deze zaak nu was goed in mijn ogen; zo nam ik uit u twaalf mannen, van elken stam een man.
24Die keerden zich, en togen op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol, en verspiedden datzelve.
25En zij namen van de vrucht des lands in hun hand, en brachten ze tot ons af, en zeiden ons bescheid weder, en zeiden: Het land, dat de HEERE, onze God, ons geven zal, is goed.
B. Na hoeveel dagen keerden de verspieders terug naar Kades, en welke zichtbare tekenen van de vruchtbaarheid van het land brachten zij mee?
21Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.
22En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte.
23Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, dien zij droegen met tweeen, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen.
24Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van den tros, dien de kinderen Israels van daar afgesneden hadden.
25Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van veertig dagen.
26En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aaron, en tot de gehele vergadering der kinderen Israels, in de woestijn Paran, naar Kades; en brachten bescheid weder aan hen, en aan de gehele vergadering, en lieten hen de vrucht des lands zien.
“Ze gingen heen en verkenden heel het land van het zuiden uit tot aan de noordelijke grenzen. Na een afwezigheid van veertig dagen keerden ze terug. Het volk Israël koesterde hoge verwachtingen en zag vol belangstelling uit naar hun terugkeer. Het nieuws van hun aankomst ging van stam tot stam en werd met blijdschap begroet. Het volk snelde de verspieders tegemoet, die heelhuids aan de gevaren van deze onderneming ontkomen waren. De verspieders hadden monsters meegebracht van de vruchten, die de vruchtbaarheid van de bodem lieten zien.” –Patriarchen en Profeten, blz. 350.
A. Welk verslag brachten tien van de verspieders?
27En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.
28Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.
29De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaanieten wonen aan de zee, en aan den oever van de Jordaan.
31Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij.
32Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israels, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.
33Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.
“Ze (de tien verspieders) hadden zich voorgenomen elke poging om in het bezit van Kanaän te komen, te weerstaan. Ze verdraaiden de waarheid ten einde hun noodlottige invloed te doen gelden…
Maar als mensen zich overgeven aan ongeloof, stellen ze zich onder de invloed van Satan, en niemand kan voorspellen tot welke uitersten dit kan leiden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 352.
B. Wat was het antwoord van Kaleb en Jozua? Wat is nu één van onze grootste behoeften?
30Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zeide: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen!
6En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen.
7En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israels, zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te verspieden, is een uitermate goed land.
8Indien de HEERE een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen, en zal ons dat geven; een land, hetwelk van melk en honig is vloeiende.
9Alleen zijt tegen den HEERE niet wederspannig! en vreest gij niet het volk dezes lands; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en de HEERE is met ons; vreest hen niet!
“In de verschillende perioden van de geschiedenis van ons werk is er dringend behoefte geweest aan Kalebs. Nu hebben wij mannen nodig, die absoluut trouw zijn, die de Heere volkomen volgen, mannen die niet zwijgen, als ze moeten spreken, die absoluut trouw zijn aan hun beginselen, die geen behoefte hebben aan vertoon, maar ootmoedig wandelen met God, geduldige, vriendelijke, voorkomende mannen, waarop men kan rekenen; mannen die begrijpen, dat echt bidden wil zeggen, geloof te beoefenen en werken te tonen, die tot eer van God en tot welzijn van Zijn volk zijn.” –Bijbelkommentaar, blz. 56.
C. Hoe ontving het volk de tegenstrijdige verslagen van de verspieders?
1Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelven nacht.
2En al de kinderen Israels murmureerden tegen Mozes en tegen Aaron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!
3En waarom brengt ons de HEERE naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderkens ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weder te keren?
4En zij zeiden de een tot den ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en wederkeren naar Egypte!
10Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen zoude. Maar de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de tent der samenkomst, voor al de kinderen Israels.
“Hoop en moed maakten plaats voor lafhartige wanhoop, toen de verspieders tot uitdrukking brachten, wat er leefde in hun ongelovige harten, die vol waren met ontmoediging. Hun ongeloof wierp een sombere schaduw over de vergadering, en de grote kracht van God, die zo vaak ten behoeve van het uitverkoren volk was geopenbaard, werd vergeten. Het volk gunde zich niet de tijd om na te denken; ze dachten er niet aan, dat Hij, die hen tot dusver had geleid, hen voorzeker het land zou geven; ze haalden zich niet voor de geest, hoe wonderlijk God hen had verlost van hun verdrukkers en een weg had gebaand door de zee, terwijl Hij het achtervolgende leger van Farao had verdelgd…
Opstand en muiterij volgden spoedig; want Satan had de leiding, en het volk scheen van zijn zinnen beroofd.” –Patriarchen en Profeten, blz. 351, 352.
A. Hoe reageerden Mozes en Aäron, toen zij zagen, dat het volk het lafhartige verslag had aanvaard en opstandig werd?
5Toen vielen Mozes en Aaron op hun aangezichten, voor het aangezicht van de ganse gemeente der vergadering van de kinderen Israels.
“In droefheid en vernedering ‘wierpen Mozes en Aäron zich op hun aangezicht ten aanschouwen van de gehele gemeente van de vergadering der Israëlieten’, daar ze niet wisten, wat te doen om hen te weerhouden van het volvoeren van hun overhaaste en hartstochtelijke plannen. Kaleb en Jozua trachtten het tumult tot zwijgen te brengen. Met gescheurde kleren als teken van rouw en verontwaardiging haastten ze zich te midden van het volk, en hun luide stemmen werden gehoord boven het rumoer van geklaag en opstandig geween: ‘Het land, dat wij doorgetrokken zijn om het te verspieden, dat land is buitengewoon goed. Indien de Here welgevallen aan ons heeft, dan zal Hij ons in dit land brengen en het ons geven, een land, dat vloeit van melk en honing. Alleen, weest dan niet opstandig tegen de Here, en gij, vreest het volk van het land niet, want zij zijn ons tot spijs, hun schaduw is van hen geweken, en de Here is met ons; vreest hen niet’.” –Patriarchen en Profeten, blz. 352-353.
B. Hoe kwam de Heer op dit cruciale moment tussenbeide en wat zei Hij?
10Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen zoude. Maar de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de tent der samenkomst, voor al de kinderen Israels.
11En de HEERE zeide tot Mozes: Hoe lang zal mij dit volk tergen? En hoe lang zullen zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het midden van hen gedaan heb?
12Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is.
“De ontrouwe verspieders brachten luidde aanklachten in tegen Kaleb en Jozua, en de kreet werd gehoord om hen te stenigen. De krankzinnige menigte greep stenen om deze getrouwe mannen te doden. Met woest getier renden ze voorwaarts, toen plotseling de stenen uit hun handen vielen, een stilte over hen viel, en ze van schrik beefden. God was tussenbeide gekomen om hun moordplannen te verhinderen. De heerlijkheid van Zijn tegenwoordigheid verlichtte als een vlammend licht de tabernakel. Heel het volk zag het teken van God. Iemand, die machtiger was dan zij, had Zich geopenbaard, en niemand durfde langer te volharden in zijn opstand. De verspieders, die een kwaad verslag hadden gebracht, krompen verschrikt ineen en slopen ademloos naar hun tenten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 353.
C. Welke reden gaf Mozes de Heer om het volk Israël te vergeven en te sparen, toen Mozes de Heer smeekte?
13En Mozes zeide tot den HEERE: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want Gij hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;
14En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat Gij, HEERE! in het midden van dit volk zijt; dat Gij HEERE! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en Gij in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags, en in een vuurkolom des nachts.
15En zoudt Gij dit volk als een enigen man doden, zo zouden de heidenen, die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende:
16Omdat de HEERE dit volk niet kon brengen in dat land, hetwelk Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn!
17Nu dan, laat toch de kracht des HEEREN groot worden, gelijk als Gij gesproken hebt, zeggende:
18De HEERE is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid.
19Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk Gij ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt!
A. Welk vonnis sprak de Heer uit over de mopperaars en rebellen?
22Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest;
23Zo zij het land, hetwelk Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!
29Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen Mij gemurmureerd hebt.
30Zo gij in dat land komt, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
31En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden! die zal Ik daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt.
32Maar u aangaande, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen!
33En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn.
“In hun opstand had het volk uitgeroepen: ‘Och, waren wij in deze woestijn gestorven!’ Nu zou dit gebed worden verhoord…
Zoals de verspieders veertig dagen op verkenning waren geweest, zou het leger van Israël veertig jaar in de woestijn omzwerven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 354.
B. Hoe strafte God de tien verspieders, die het slechte verslag gaven?
36En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te verspieden, en wedergekomen zijnde, de ganse vergadering tegen hem hadden doen murmureren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende;
37Diezelfde mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden, stierven door een plaag, voor het aangezicht des HEEREN.
“Toen Mozes Gods besluit aan het volk bekendmaakte, veranderde hun woede in droefheid. Ze wisten, dat hun straf gerechtvaardigd was. De tien ontrouwe verspieders werden door Gods plaag getroffen en stierven voor hun ogen; en in hun lot las het volk zijn eigen vonnis.” –Patriarchen en Profeten, blz. 354.
C. Welke zonde van veronderstelling begingen de mopperaars de volgende dag en met welke gevolgen?
39En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israels. Toen treurde het volk zeer.
40En zij stonden des morgens vroeg op, en klommen op de hoogte des bergs, zeggende: Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die de HEERE gezegd heeft; want wij hebben gezondigd!
41Maar Mozes zeide: Waarom overtreedt gij alzo het bevel des HEEREN? Want dat zal geen voorspoed hebben.
42Trekt niet op, want de HEERE zal in het midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt, voor het aangezicht uwer vijanden.
43Want de Amalekieten, en de Kanaanieten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want, omdat gij u afgekeerd hebt van den HEERE, zo zal de HEERE met u niet zijn.
44Nochtans poogden zij vermetel, om op de hoogte des bergs te klimmen; maar de ark des verbonds des HEEREN en Mozes scheidden niet uit het midden des legers.
45Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaanieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe.
“Ten slotte gedwongen om het op te geven, keerden de overlevenden terug en weenden voor het aangezicht des Heren; ‘maar de Here luisterde niet’ naar hun stem (Deuteronomium 1:45). Door deze duidelijke overwinning werden de vijanden van Israël, die vol angst en beven de komst van dat machtige leger hadden afgewacht, vervuld met vertrouwen om hen te weerstaan. Alle berichten, die ze gehoord hadden betreffende de wonderbare dingen, die God voor Zijn volk had gedaan, beschouwden ze als onjuist, en ze meenden, dat er geen reden was om te vrezen. Die eerste nederlaag van Israël, die de Kanaänieten vervulde met moed en vastbeslotenheid, had de moeilijkheden van de verovering sterk vergroot. Voor Israël bleef niets anders over dan zich terug te trekken voor hun overwinnende vijanden, en de wijk te nemen naar de woestijn, in het besef dat deze het graf voor de gehele generatie zou zijn.” –Patriarchen en Profeten, blz. 357.
A. Wat voor berouw leidt tot verlossing? Wat ontbrak aan het berouw van de Israëlieten?
10Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.
“Nu schenen ze (het volk) oprecht berouw te hebben van hun zondig gedrag; maar ze treurden meer over de gevolgen van hun verkeerde handwijze dan over hun ondankbaarheid en ongehoorzaamheid. Toen ze zagen, dat God niet op Zijn besluit terugkwam, werden ze weer eigenzinnig en ze zeiden, dat ze niet naar de woestijn wilden terugkeren. Toen Hij hun beval zich af te wenden van het land hunner vijanden, stelde God hun schijnbare onderwerping op de proef, en nu bleek, dat deze onderwerping niet oprecht was… Hun harten waren niet veranderd, en er was weinig voor nodig om een verontschuldiging te vinden voor een soortgelijke opstand…
Als ze over hun zonden getreurd hadden, toen deze hen werden voorgehouden, zou dit vonnis niet zijn uitgesproken; maar ze treurden over het vonnis; hun verdriet was niet vanwege berouw, en kon het vonnis niet ongedaan maken.” –Patriarchen en Profeten, blz. 354-355.
B. Wat hoort bij echt berouw?
19Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren,
“Om vergeving te ontvangen moet de zondaar berouw tonen jegens God, wiens wet is overtreden, en geloof in Christus, Zijn verzoenend offer. Zonder oprecht berouw kan er geen echte bekering zijn.” –The Spirit of Prophecy 4, blz. 298.
Terugblik
1. Wat werd getoond door het feit, dat het volk graag verspieders wilden sturen om het land te inspecteren?2. Hoe beïnvloedde ongeloof de tien verspieders en de gemeente als geheel? Hoe kunnen wij hetzelfde ongeloof tonen?3. Hoe probeert een echte leider het werk van klagers tegen te gaan?4. Zou u, zoals God, u op uw woord nemen, als u in haast spreekt?5. Als ik echt spijt heb van mijn zonden, waar zal dit dan toe leiden in mijn eigen leven?