Tekst om te onthouden: “Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen” (Spreuken 28:13).
Spreuken 28:13
“Een belijdenis, waarin het diepste innerlijk wordt blootgelegd, komt bij de God van oneindig erbarmen.” –Schreden naar Christus, blz. 46.
Aanvullende studie:: –Schreden naar Christus, hoofdstuk 4, blz. 45-50.
A. Wat moeten we doen, als we overtuigd zijn van zonde?
Spreuken 28:13;
Jakobus 5:16.
“De voorwaarden, waarop men de genade van God kan ontvangen, zijn eenvoudig, maar rechtvaardig en redelijk. De Heer verlangt niet van ons, dat we ons pijnigen, als we vergeving van zonden willen ontvangen. We behoeven geen lange, vermoeiende pelgrimstochten te ondernemen, of pijnlijke boetedoeningen te verrichten, om onszelf bij God aan te bevelen om onze overtredingen teniet te doen. Wie zijn zonde ´belijdt en nalaat’, ontvangt genade.” –Schreden naar Christus, blz. 45.
B. Welke houding vereist dit van ons?
Spreuken 15:33;
19:23;
Psalm 34:19.
“Wie zich niet voor God heeft vernederd en niet zijn schuld heeft bekend, heeft aan de eerste voorwaarde om aanvaard te worden niet voldaan. Als we dat berouw, waar we nooit spijt van krijgen, nog niet hebben ervaren, en als we nog niet met oprechte, innerlijke nederigheid en met een ´gebroken geest´ onze zonde hebben beleden, vol afschuw over het kwaad dat we deden, hebben we nooit echt verlangd naar vergeving van zonden. En als we daar nooit naar hebben verlangd, hebben we nog nooit Gods vrede gevonden. De enige reden, waarom onze zonden uit het verleden niet vergeven zijn, is dat we niet bereid zijn onszelf te vernederen en gehoor te geven aan de voorwaarden, die we vinden in het Woord der waarheid. Er worden over deze zaak zeer duidelijke aanwijzingen gegeven. Een schuldbelijdenis, of die nu in eenzaamheid of in aanwezigheid van anderen geschiedt, moet gemeend zijn en spontaan.” —Schreden naar Christus, blz. 46.
A. Als wij een ander beledigd hebben, wie hebben wij dan ook beledigd?
Psalm 51:6.
“De apostel zegt: ‘Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt’ (Jakobus 5:16). Beken uw zonden aan God, de Enige die ze kan vergeven, en beken uw fouten aan elkaar. Als u iets misdaan hebt tegenover uw vriend of buurman, moet u uw fout bekennen. Hij moet u dan spontaan vergeven. Dan moet u God om vergeving vragen, want degene, die u verwond hebt, is Gods eigendom, en door Hem te kwetsen hebt u gezondigd tegen zijn Schepper en Verlosser.” —Schreden naar Christus, blz. 45.
B. Waarom moeten we anderen vergeven?
Matthéüs 6:14-15;
Efeze 4:32.
“Hij, die niet vergeeft, snijdt het kanaal af, waarlangs hij alleen de genade van God kan ontvangen. Wij mogen niet denken, dat indien de mensen, die ons onrecht hebben aangedaan, hun verkeerde daden niet belijden, wij gerechtigd zijn hun de vergiffenis te onthouden. Het is ongetwijfeld aan hen om hun harten te vernederen in berouw en belijdenis; maar wij moeten een geest van ontferming hebben over degenen, die iets jegens ons misdaan hebben, of zij hun fouten bekennen of niet. Hoe bitter zij ons ook gewond mogen hebben, wij mogen aan onze grieven niet toegeven en medelijden hebben met onszelf om het kwaad, dat ons werd aangedaan; maar wanneer wij hopen vergiffenis te ontvangen voor wat we jegens God misdaan hebben, moeten wij allen vergeven, die ons kwaad gedaan hebben.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 100.
C. Wat moet onze plicht ons leren jegens de mensheid?
1 Petrus 4:8;
Romeinen 13:8.
“Laat Christus, het goddelijk Leven, in u wonen, en door u de hemelse liefde openbaren, die hoop zal geven aan de hopeloze, en de vrede des hemels zal brengen aan het door de zonde getroffen hart. Wanneer wij tot God komen, is dit de voorwaarde die ons op de drempel tegemoet komt, dat wij, wanneer we barmhartigheid ontvangen van Hem, onszelf overgeven om Zijn genade aan anderen te openbaren.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 101.
“De onmenselijkheid van mens tegenover mens is onze grootste zonde. Velen denken, dat zij Gods rechtvaardigheid vertegenwoordigen, terwijl zij geheel falen Zijn tederheid en Zijn grote liefde weer te geven. Dikwijls zijn diegenen, die zij met gestrengheid en hardheid tegemoet treden onder de druk van de verzoeking. Satan worstelt met deze zielen; norse, onsympathieke woorden mismoedigen hen en maken, dat zij ten slachtoffer vallen aan de macht van de verzoeker.” –De Weg tot Gezondheid, blz. 131.
A. Welke zonden moeten in het openbaar worden beleden, terwijl andere alleen aan God worden beleden?
Psalm 32:5;
Matthéüs 5:23-24.
“Een echte belijdenis is altijd specifiek, dat wil zeggen, noemt de zonden bij name. Deze zonden kunnen van dien aard zijn, dat ze alleen voor God gebracht moeten worden. Maar er kunnen ook verkeerde daden zijn, die aan mensen moeten worden beleden, die er door worden getroffen; of ze kunnen van dien aard zijn, dat ze in het openbaar moeten bekend. Maar elke belijdenis moet scherp omlijnd zijn en de zonden, die u begaan hebt, moet u met name noemen.” –Schreden naar Christus, blz. 47.
“Zonde van persoonlijke aard moet aan Christus worden beleden, de enige middelaar tussen God en de mens… Elke zonde is een overtreding tegen God en moet aan Hem door Christus beleden worden. Elke openlijke zonde moet even openlijk worden beleden.” –Gospel Workers, blz. 216.
B. Wat is het doel van een ware belijdenis?
1 Samuël 12:19.
“In de tijd van Samuël lieten de Israëlieten God in de steek. Zij ondervonden de gevolgen van de zonde. Zij hadden namelijk hun geloof in God verloren en hadden het vermogen verloren om de macht en de wijsheid, waarmee Hij het volk regeerde, te onderscheiden. Zij keerden zich af van de grote Heerser van het heelal en verlangden naar dezelfde regeringsvorm als de volkeren rondom hen hadden. Voordat zij vrede vonden, beleden zij duidelijk hun schuld: ‘... aan al onze zonden hebben wij nog kwaad toegevoegd door voor ons een koning te vragen’ (1 Samuël 12:19). De zonde, waarvan zij overtuigd waren, moest uitdrukkelijk beleden worden.” —Schreden naar Christus, blz. 47.
C. Welke praktische daad moet belijdenis volgen?
Jesaja 1:16-17;
Ezechiël 33:15.
“God aanvaardt een schuldbelijdenis niet als er geen sprake is van oprechte spijt en van een verandering. Bepaalde dingen in het leven moeten veranderd worden. Alles waaraan God aanstoot neemt, moet worden weggedaan. Dat is het gevolg als men echt berouw heeft over de zonde.” –Schreden naar Christus, blz. 47.
“Iedere bekeerde ziel zal, evenals Zacheüs, de inkeer van Christus in zijn hart kenbaar maken door de onrechtvaardige praktijken, die zijn leven kenmerkten, op te geven. Evenals de oppertollenaar zal hij een bewijs leveren van zijn oprechtheid door de geleden schade te vergoeden.” –De Wens der Eeuwen, blz. 481.
A. Toen de Heer Adam en Eva naar hun zonde vroeg, hoe gaven zij toen te kennen, dat het eigenlijk niet hun schuld was?
Genesis 3:12-13.
“Adam kon zijn zonde niet ontkennen of verontschuldigen; maar in plaats van berouw te tonen, trachtte hij de schuld te werpen op zijn vrouw, en dus in feite op God zelf: ‘De vrouw die Gij aan mijn zijde gesteld hebt, die heeft mij van de boom gegeven, en toen heb ik gegeten’.” –Patriarchen en Profeten, blz. 32.
“Nadat Adam en Eva hadden gegeten van de verboden vrucht, hadden ze een gevoel van schaamte en verschrikking. Hun eerste gedachte was, hoe ze een verontschuldiging konden vinden voor hun zonde, en hoe ze aan het doodsoordeel, dat dreigde, konden ontkomen. Toen de Heer naar hun zonde vroeg, gaf Adam deels God en deels zijn vrouw de schuld en antwoordde hij: ‘De vrouw, die Gij aan mijn zijde hebt gesteld, die heeft mij van de boom gegeven, en toen heb ik gegeten’. En de vrouw schoof de schuld af op de slang met de woorden: ‘De slang heeft mij verleid, en toen heb ik gegeten.’ (Genesis 3:12-13). Waarom maakte U ook de slang? Waarom stond U toe, dat hij in Eden was? Dat waren de vragen, die in haar verontschuldiging van haar zonde lagen besloten, waarmee God verantwoordelijk werd gesteld voor hun val.” –Schreden naar Christus, blz. 48-49.
B. Waarom maakt zelfrechtvaardiging de belijdenis ondoeltreffend?
Job 9:20;
Lukas 16:15.
“Deze geest van zelfrechtvaardiging vond zijn oorsprong bij de vader van alle bedrog en is gemeengoed geworden bij alle zonen en dochters van Adam. Bekentenissen in die geest worden niet ingegeven door de goddelijke Geest en zijn voor God niet aanvaardbaar. Echt berouw brengt een mens ertoe om zelf zijn schuld te dragen en er zonder bedrog of huichelarij voor uit te komen.” —Schreden naar Christus, blz. 49.
“Wij moeten niet trachten onze schuld te verminderen door de zonde te verontschuldigen. Wij moeten zien, hoe zwaar God de zonde beschouwt, en dit is inderdaad zwaar. Alleen Golgotha kan de verschrikkelijke omvang van de zonde openbaren. Indien wij onze eigen schuld zouden moeten dragen, zouden wij daaronder verpletterd worden. Maar de Zondeloze heeft onze plaats ingenomen; hoewel Hij het niet verdiende, heeft Hij onze ongerechtigheid gedragen. ´Indien wij onze zonden belijden´, is God ´getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid´ (1 Johannes 1:9). Heerlijke waarheid! rechtvaardig tegenover Zijn eigen wet, en nochtans de Rechtvaardiger van allen die in Jezus geloven. ‘Wie is een God als Gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel van Zijn erfdeel voorbijgaat, die Zijn toorn niet voor eeuwig behoudt, maar een welbehagen heeft in goedertierenheid.’ (Micha 7:18).” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 102.
A. Hoe erkende Paulus nederig en specifiek zijn zonde?
Handelingen 26:10-11.
“De voorbeelden van echt berouw en echte verootmoediging in Gods Woord laten zien in welke geest belijdenis moet worden gedaan: zonder verontschuldiging voor de zonde, zonder pogingen tot zelfrechtvaardiging. Paulus probeerde niet zichzelf in bescherming te nemen. Hij schildert zijn zonde in de donkerste schakering, en probeert zijn schuld niet te verkleinen. (Zie Handelingen 26:10-11).” –Schreden naar Christus, blz. 49-50.
B. Wat verklaarde Paulus in zijn eerste brief aan Timótheüs?
1 Timótheüs 1:15.
“In onszelf kunnen wij niets dan zwakheid zien, niets dat ons aannemelijk zou maken voor God, en Satan vertelt ons, dat het geen zin heeft; wij kunnen onze karakterfouten niet verbeteren. Wanneer wij trachten tot God te gaan, zal de vijand fluisteren: ‘Het heeft geen zin, dat u bidt; hebt u dat kwaad niet gedaan? Hebt u niet tegen God gezondigd en uw eigen geweten geweld aangedaan?’ Maar wij kunnen de vijand zeggen, dat ‘het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, ons reinigt van alle zonden’ (1 Johannes 1:7). Wanneer wij gevoelen, dat wij gezondigd hebben en niet kunnen bidden, dán is het de tijd om te bidden. We kunnen beschaamd zijn en diep vernederd, maar wij moeten bidden en geloven. … (Zie 1 Timótheüs 1:15). Vergiffenis … is een gave, die ons geschonken wordt, die zijn grond vindt in de vlekkeloze gerechtigheid van Christus.” —Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 101-102.
C. Als we onze zonden belijden, wat heeft God dan beloofd?
1 Johannes 1:9.
“Het nederige en gebroken hart, dat door oprecht berouw gedwee gemaakt is, zal iets van de liefde van God en van de prijs, die op Golgotha betaald werd, begrijpen. En zoals een zoon aan een vader, die hem liefheeft, zijn schuld belijdt, zo brengt iemand, die echt berouw heeft, zijn zonde voor God. Er staat geschreven: (Zie 1 Johannes 1:9).” —Schreden naar Christus, blz. 50.
1. Hoe staan wij voor God, als wij getrouw onze zonden belijden?
2. In welke omstandigheden moeten bepaalde belijdenissen aan anderen worden afgelegd, en waarom?
3. Waarom is het belangrijk dat een belijdenis kenmerkend is?
4. Beschrijf het gevaar van zelfrechtvaardiging.
5. Wat is het gevolg van een nederige belijdenis?