Tekst om te onthouden: “Maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzo verblijdt u, opdat gij ook in de openbaring van Zijn heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen” (1 Petrus 4:13).
1 Petrus 4:13
“De Heer zou graag willen, dat al Zijn zonen en dochters blij, vreedzaam en gehoorzaam zijn.” –Schreden naar Christus, blz. 153.
Aanvullende studie:: –Schreden naar Christus, hoofdstuk 13, blz. 139-156.
A. Welke verantwoordelijkheid zei Jezus, dat Zijn discipelen in deze wereld hebben?
Matthéüs 5:13-16.
“Christenen moeten lichtdragers zijn op de weg naar de hemel. Zij moeten het licht, dat van Christus komt en dat op hen schijnt, reflecteren naar de wereld. Hun leven en hun karakter moeten zo zijn, dat anderen door hen een juist begrip van Christus krijgen en van Zijn dienst.” –Schreden naar Christus, blz. 140.
B. Wat moeten gelovigen zijn voor alle mensen?
Johannes 17:18,
23;
2 Korinthe 5:20.
“In elk van Zijn kinderen stuurt Jezus een brief aan de wereld. Als u een volgeling van Christus bent, stuurt Jezus in u een brief aan uw gezin, aan uw dorp en aan de straat, waar u woont. De Jezus, die in u woont, wil graag tot de harten spreken van hen, die nog niet met Hem in aanraking gekomen zijn. Misschien lezen deze mensen de Bijbel niet en horen ze de stem niet, die via de bladzijden van de Bijbel tot hen spreekt. Zij zien de liefde van God niet in de werken die Hij doet. Maar als u een echte vertegenwoordiger van Jezus bent, kan het gebeuren, dat zij door u ertoe gebracht worden om iets van Zijn goedheid te gaan begrijpen en zullen zij gewonnen worden tot liefde en dienst aan Hem.” —Schreden naar Christus, blz. 139-140.
C. Hoe is het alleen mogelijk om deze missie te vervullen?
2 Korinthe 3:2-5.
A. Wat is de hoogste uiting van Gods liefde voor Zijn kinderen?
Johannes 3:16;
Romeinen 5:6-10.
“Als het lijkt, alsof wij twijfelen aan Gods liefde en alsof we Zijn beloften wantrouwen, doen wij God oneer aan en bedroeven wij Zijn Heilige Geest. Hoe zou een moeder zich voelen als haar kinderen voortdurend over haar beklaagden, dat zij het niet goed met hen meent, terwijl zij zich voortdurend inspant voor hun belangen en het hun naar de zin probeert te maken? Stel, dat zij haar liefde in twijfel zouden trekken. Dat zou verschrikkelijk voor haar zijn. Hoe zouden ouders zich voelen, als zij zo door hun kinderen worden behandeld? En wat moet onze hemelse Vader van ons denken, als wij Zijn liefde wantrouwen, zich Hem ertoe gebracht heeft om Zijn eniggeboren Zoon te geven, opdat wij het leven zouden ontvangen? De apostel Paulus schrijft: ‘Hoe zal Hij, die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?’ (Romeinen 8:32). En toch, hoe velen zijn er niet, die door hun daden, of door hun woorden zeggen: ‘De Heer heeft dat niet voor mij bestemd. Misschien houdt Hij van anderen, maar van mij houdt Hij niet’.” –Schreden naar Christus, blz. 144-145.
B. Wat bewijst, dat God Zijn kinderen alle dingen wil geven?
Romeinen 8:32.
“U, die zich onwaardig voelt, wees niet bang uw zaak aan God voor te leggen. Toen Hij Zichzelf in Christus heeft gegeven voor de zonden van de wereld, nam Hij de zaak van iedereen op Zich. ‘Hoe zal Hij, die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?’ (Romeinen 8:32). Zal Hij niet genadig Zijn Woord vervullen om ons te bemoedigen en te versterken? Christus verlangt niets zozeer als Zijn erfdeel te redden uit Satans heerschappij.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 103.
C. Hoe kan deze liefde in ons weerspiegeld worden?
1 Johannes 4:9-12.
“Christelijke arbeiders, die vrucht willen zien op hun arbeid, moeten Christus kennen. En om Hem te kennen, moeten ze Zijn liefde kennen. In de hemel wordt bekwaamheid afgemeten naar hun geschiktheid om lief te hebben, zoals Christus lief had en te werken zoals Hij werkte. ‘Laten wij niet liefhebben met de tong’, schrijft de apostel, ‘maar met de daad en in waarheid’. De volmaaktheid van het christelijk karakter wordt bereikt, wanneer de drijfveer om anderen te helpen en te zegenen voortdurend van binnenuit komt. Het is de atmosfeer van deze liefde rond de ziel van de gelovige, die hem een geur des levens ten leven doet zijn, en die God in staat stelt zijn werk te zegenen.” —Van Jeruzalem tot Rome, blz. 402.
A. Wat kenmerkte het leven van Christus in Zijn werk voor de verlossing van mensen?
Jesaja 53:10,
7.
“Het leven van Hem (Christus) was er een van voortdurende zelfopoffering. Hij had geen thuis in deze wereld, behalve als de goedheid van vrienden erin voorzag voor Hem als voetreiziger. Hij kwam om voor ons het leven van de armsten te leiden en te wandelen en te werken onder de behoeftigen en de lijdenden. Niet erkend en niet geëerd wandelde Hij tussen de mensen voor wie Hij zoveel had gedaan.” –Gospel Workers, blz. 42-43.
“Hij (de Zoon van God) weende niet om Zichzelf, hoewel Hij heel goed wist, waarheen Hij ging. Vóór Hem lag Getsémané, de plaats van Zijn naderende doodsstrijd. Ook de Schaapspoort kon Hij zien. Door deze poort waren eeuwenlang offerdieren geleid; ze zou ook voor Hem opengaan, wanneer Hij ‘als een lam ter slachting’ zou worden geleid (Jesaja 53:7). Niet ver daar vandaan lag Golgotha, de plaats van Zijn kruisiging. Over het pad, dat Christus spoedig zou betreden, zou de verschrikking van een grote duisternis vallen, wanneer Hij Zijn leven als een offer voor de zonde zou geven. Toch was het niet de gedachte aan deze gebeurtenissen, die Hem in dit uur van blijdschap zo somber stemde. Zijn voorgevoel van de bovenmenselijke angst kon Zijn edelmoedigheid niet overschaduwen. Hij weende om de duizenden verdoemden van Jeruzalem, om de blindheid en onboetvaardigheid van de mensen, die Hij was komen zegenen en redden.” –De Grote Strijd, blz. 17.
B. Wat gaf Jezus, in Zijn lijden en beproeving, de moed om Zijn werk te voltooien?
Jesaja 53:11;
Hebreeën 12:2.
“De afloop van de strijd tussen de Verlosser en de machten van de duisternis maakt de verlosten blij en zal tot in alle eeuwigheid bijdragen tot Gods heerlijkheid. De waarde van één ziel is zó groot, dat de Vader akkoord gaat met de prijs en Christus Zelf is ook tevreden, wanneer Hij de resultaten van Zijn groot offer ziet.” —De Grote Strijd, blz. 601.
“Vaak wordt gezegd, dat er wel geschreven staat, dat Jezus weende, maar dat ons niet bekend is, dat Hij ook glimlachte. Inderdaad was onze Zaligmaker een Man van Smarten en iemand die met droefheid bekend was, want Zijn hart stond open voor alle ellende van de mensen. Maar hoewel Zijn leven gekenmerkt werd door zelfverloochening en overschaduwd werd door pijn en zorg, raakte Hij daardoor niet terneergeslagen. Zijn gezicht had geen uitdrukking van smart en ontevredenheid, maar van rust en vrede. Zijn hart was een bron van leven, en waar Hij ging, nam Hij rust en vrede, vreugde en blijdschap met Zich mee.” –Schreden naar Christus, blz. 148.
A. Wanneer de gelovige verleiding het hoofd moet bieden, wat is de voorziening, zodat hij deze geestelijke strijd kan overwinnen?
Efeze 6:11-18.
“Iedereen heeft moeilijkheden, verdriet, dat moeilijk te verwerken is, of verleidingen, waaraan het moeilijk is om weerstand te bieden. Vertel uw zorgen niet aan andere stervelingen, maar breng alles in gebed tot God. Maak er een regel van om nooit een woord van twijfel of ontmoediging te uiten. U kunt veel doen om het leven van anderen op te vrolijken en om hen in hun pogingen te steunen, door hoopvolle woorden en heilige vreugde.” –Schreden naar Christus, blz. 146.
B. Waarom aarzelen velen tussen geloof en twijfel, wanneer ze verleid en beproefd worden? Wat moeten zij doen?
Matthéüs 14:28-31;
Jakobus 1:2.
“Menig goedwillend mens staat op het punt, wanneer hij zwaar beproefd wordt, het onderspit te delven in zijn strijd tegen het eigen-ik en tegen de machten van het kwaad. Ontmoedig iemand, die in zo’n zware strijd verwikkeld is, niet. Monter hem op met bemoedigende, hoopvolle woorden, die hem kunnen helpen om staande te blijven. Zo kunt u het licht van Christus laten schijnen. ‘Want niemand onzer leeft voor zichzelf…’ (Romeinen 14:7). Zonder dat wij ons daarvan bewust zijn, kunnen anderen door onze invloed worden bemoedigd en versterkt, maar anderzijds ook worden ontmoedigd en van Christus en de waarheid worden afgeleid. Er zijn veel mensen, die een verkeerd idee hebben van het leven en van het karakter van Christus. Zij denken, dat Hij in geen enkel opzicht warmte en vrolijkheid afstraalde, maar dat Hij ernstig en streng en droefgeestig was. In heel veel gevallen wordt iemands totale geestelijke ervaring door dit soort naargeestige gedachten gekleurd.” —Schreden naar Christus, blz. 146-148.
C. Hoe blijft het pad van de rechtvaardige helder, zelfs te midden van beproevingen?
Spreuken 4:18;
Filippensen 4:4.
“De weg is dan wel ruw en steil, rechts en links kunnen valstrikken zijn, en wij kunnen te kampen hebben met moeiten op onze reis; wanneer wij vermoeid zijn en naar rust verlangen, kan het zijn, dat wij verder moeten zwoegen, wanneer wij zwak zijn, kan het gebeuren, dat wij moeten strijden, wanneer wij ontmoedigd zijn, moeten wij blijven hopen; maar met Christus als onze Gids zullen wij zeker uiteindelijk de haven, waarnaar wij verlangd hebben, bereiken. Christus zelf is vóór ons de ruwe weg gegaan, en Hij heeft het pad geëffend voor onze voeten. En langs de gehele steile weg, die tot het eeuwige leven leidt, zijn bronnen van vreugde om de vermoeiden te verkwikken.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 124.
A. Welke belofte van Jezus moet ons reden geven tot vreugde en lofprijzing aan onze hemelse Vader?
Jesaja 41:10;
Lukas 12:32;
1 Petrus 4:13.
“Het is niet Gods wil, dat Zijn volk onder zware zorgen gebukt gaat. De Heer brengt ons niet op een dwaalspoor. Hij zegt niet tegen ons: ‘Vreest niet, want u zult geen gevaren op uw pad tegenkomen’. Hij weet, dat er moeilijkheden en gevaren zijn, en dat maakt Hij ons heel duidelijk. Het is niet Zijn bedoeling om Zijn volk weg te halen uit deze wereld van zonde en slechtheid. Maar Hij wijst hen wel op de uitkomst, die er bij alle problemen is.” –Schreden naar Christus, blz. 151.
B. Noem enkele andere wonderbare beloften van vrede en vreugde, die Jezus heeft gegeven.
Johannes 14:1-3,
27;
15:11;
16:20.
“Wanneer we voor ons uitkijken, zien we onvermijdelijk nieuwe moeilijkheden van de strijd die ons te wachten staat. Maar we kunnen niet alleen kijken op de moeilijkheden, die in de toekomst liggen, maar ook naar die van het verleden, en dan kunnen we zeggen: ‘Tot hiertoe heeft ons de Here geholpen; uw sterkte moge zijn als uw levensduur’ (Deuteronomium 33:25). De moeilijkheden zullen de kracht, die wij ontvangen om ze te verduren, niet overtreffen. Laten we dan ons werk ter hand nemen, waar we het vinden, in het geloof dat, wat er ook moge komen, ons voldoende kracht zal worden gegeven voor de beproevingen, die we hebben te doorstaan. Het zal niet lang meer duren, totdat de poorten van de hemel open zullen gaan om Gods kinderen toegang te verschaffen. Dan zullen hun oren de zaligsprekingen horen van de lippen van de Koning der heerlijkheid: ‘Komt gij, gezegenden Mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af’ (Matthéüs 25:34)… ‘Wat zal men geven in ruil voor mijn ziel?’, als men kijkt naar deze heerlijk erfenis? (Matthéüs 16:26)... Niets heeft groter waarde dan een mens, die verlost is en van zonde is gereinigd, en die al zijn krachten gewijd heeft aan de dienst van God. Er is vreugde in de hemel, bij God en bij heilige engelen over elke verloste, een vreugde die uitdrukking vindt in liederen van heilige overwinning.” —Schreden naar Christus, blz. 154-156.
1. Hoe zullen allen, ook degenen die de Bijbel niet kennen, met de waarheid bereikt worden?
2. Hoe toont de Heer Zijn onbegrensde liefde voor mensen?
3. Wat was Jezus’ bron van zekerheid, toen Hij Zijn lijden en dood tegemoet ging?
4. Welke voorziening moeten we in gedachten houden, wanneer we beproevingen het hoofd moeten bieden?
5. Wat moet de gelovige in het dagelijks leven altijd in gedachten hebben?