Les 6 — Sabbat, 9 mei 2026
Het visioen uitgelegd
Tekst om te onthouden
Tekst om te onthouden: “Weet dan en versta: van dat het woord uitging, om te doen weerkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, de Vorst, zijn zeven weken en tweeënzestig weken; de straten en de grachten zullen weer gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden” (Daniël 9:25).
Daniël 9:25
“De engel was naar Daniël gestuurd met de duidelijke opdracht hem het punt uit te leggen, dat hij in het gezicht van het achtste hoofdstuk niet had begrepen.” –De Grote Strijd, blz. 306.
Aanvullende studie: –De Grote Strijd, blz. 384-395.
A. Wat bestudeerde Daniël rond de tijd van de verovering van Babylon door de Meden en Perzen?
1In het eerste jaar van Darius, den zoon van Ahasveros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeen;
2In het eerste jaar zijner regering, merkte ik, Daniel, in de boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het woord des HEEREN tot den profeet Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was.
“Terwijl zij, die trouw aan God waren gebleven in Babel, de Here zochten en de profetieën bestudeerden, die hun bevrijding voorzegden, bereidde God de harten der koningen om gunst te bewijzen aan Zijn berouwvol volk.” –Bijbelkommentaar, blz. 278.
B. Leg de betekenis uit van de profetie, die Daniël las.
8Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen; Omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoord;
9Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt de HEERE; en tot Nebukadrezar, den koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelve, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
10En Ik zal van hen doen vergaan de stem der vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, het geluid der molens en het licht der lamp.
11En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren.
12Maar het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over den koning van Babel, en over dat volk, spreekt de HEERE, hun ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Chaldeen, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen.
13En Ik zal over dat land brengen al Mijn woorden, die Ik daarover gesproken heb; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken.
14Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; alzo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk hunner handen.
C. Waartoe spoorde de profetie van Jeremia Gods volk aan?
10Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
11Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.
12Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen.
13En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.
14En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.
“De geschriften van Jeremia stonden tot hun beschikking (van de ballingen), en hierin was duidelijk aangegeven hoeveel tijd zou verlopen alvorens Israël uit Babel zou terugkeren… Het overblijfsel van Juda zou genade worden bewezen in antwoord op hun vurig gebed.” –Profeten en Koningen, blz. 337-338. Sabbat Bijbel Lessen, Jaargang 102, nr. 2 31
A. Wat deed Daniël als antwoord op wat hij las?
3En ik stelde mijn aangezicht tot God, den Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as.
“Vol geloof in het vaste woord der profetie smeekte Daniël de Here om een spoedige vervulling van deze beloften. Hij smeekte, dat Gods eer zou worden gespaard. In zijn smeekbede vereenzelvigde hij zich met hen, die niet aan Gods plan hadden beantwoord, en beleed hun zonden als de zijne.” –Profeten en Koningen, blz. 339.
B. welke opmerkingen zou u maken over de manier, waarop Daniël zich vernederde en voorbede deed bij God, nadat u Daniëls gebed hebt gelezen?
4Ik bad dan tot den HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.
5Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten.
6En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands.
7Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te deze dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israel, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, zij tegen U overtreden hebben.
8O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben.
9Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben.
10En wij hebben der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten.
11Maar geheel Israel heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uwer stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben.
12En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.
13Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, alzo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandelijk acht gevende op Uw waarheid.
14Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijner stem niet gehoorzaamden.
15En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, gelijk hij is te dezen dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.
16O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heiligen berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.
17En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; om des HEEREN wil.
18Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.
19O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd.
“Hoewel Daniël lange tijd in dienst was van God en door Hem, als ‘zeer bemind’ werd gezien, naderde hij God nu als zondaar, waarbij hij wees op de grote nood van het volk, dat hij liefhad.” –Profeten en Koningen, blz. 339.
C. Waar maakte Daniël zich vooral zorgen over?
16O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heiligen berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.
17En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; om des HEEREN wil.
“Israël was bijna zeventig jaar in ballingschap. Het land, dat God tot Zijn bezit had gekozen, was in handen van de heidenen gegeven. De geliefde stad, die het licht van de hemel had ontvangen en die vroeger de vreugde der gehele aarde was, was nu veracht en vernederd. De tempel, waarin de ark van Zijn verbond had gestaan met de cherubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden, lag in puin. Heel het grondgebied ervan was ontheiligd door goddeloze voeten. Getrouwe mensen, die de vroegere heerlijkheid hadden gekend, waren tot in het diepst van hun hart bedroefd over de verwoesting van het heilige gebouw, dat Israël had onderscheiden als Gods uitverkoren volk. Deze mensen waren getuigen geweest van Gods oordelen vanwege de zonden van het volk. Ze waren getuigen geweest van de vervulling van dit woord. Ze waren ook getuige geweest van de beloften van Zijn gunst als Israël tot God zou terugkeren en behoedzaam voor Hem zou leven. Bejaarde, grijsharige pelgrims gingen op naar Jeruzalem, om tussen de puinhopen te bidden. Ze kusten de stenen en bevochtigden ze met hun tranen, terwijl ze de Here smeekten om genadig te zijn over Sion, en haar te bedekken met de heerlijkheid van Zijn gerechtigheid. Daniël wist, dat de bepaalde tijd voor Israëls ballingschap bijna voorbij was; maar hij had niet het gevoel, dat zijzelf niets behoeften te doen, omdat God beloofd had hen te verlossen. Onder vasten en boetedoening zocht hij de Here, terwijl hij zijn zonden en de zonden van het volk beleed." –Bijbelkommentaar, blz. –278-279. Sabbat Bijbel Lessen, Jaargang 102, nr. 2 33
A. Hoe werd Daniëls gebed onderbroken?
20Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns volks van Israel, en mijn smeking nederwierp voor het aangezicht des HEEREN, mijns Gods, om des heiligen bergs wil mijns Gods;
21Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriel, die ik in het begin in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende, omtrent den tijd des avondoffers.
"God luisterde naar de ernstige smeekbede van de profeet. Nog vóór hij zijn gebed om vergiffenis en herstel had beëindigd, verscheen de machtige engel Gabriël opnieuw bij hem." –Profeten en Koningen, blz. 340.
“Het was Gabriël, de engel die in rang na de Zoon van God kwam, die de goddelijke boodschap aan Daniël bracht… God heeft ons deze dingen gegeven, en Zijn zegen zal rusten op eerbiedig, biddend onderzoek van de geschriften der profeten.” –De Wens der Eeuwen, blz. 189.
B. Wat was het doel van Gabriëls bezoek, en hoe is dit verbonden met het visioen in hoofdstuk 8?
22En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zeide: Daniel! nu ben ik uitgegaan, om u den zin te doen verstaan.
23In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want gij zijt een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.
“(Gabriël) vestigde zijn aandacht op het gezicht, dat hij gezien had vóór Babel was gevallen en Belsassar was gedood.” –Profeten en Koningen, blz. 340.
“God had Zijn boodschapper de opdracht gegeven: 'Doe deze het gezicht verstaan’. Die opdracht moest worden uitgevoerd. Daarom ging de engel na enige tijd weer naar Daniël en zei: 'Daniël, nu ben ik uitgegaan om u een klaar inzicht te geven’; 'Let dus op het woord en sla acht op het gezicht’. (Daniël 8:27, 16; 9:22-23, 25-27). Eén belangrijk punt in het gezicht was nog niet verklaard, namelijk de periode van ‘de 2300 avonden en morgens’. Daarom ging de engel bij de hervatting van zijn uitleg dieper op dit onderwerp in’.” –De Grote Strijd, blz. 305.
C. Welke tijdsperiode moest er voor het Joodse volk zijn gereserveerd, en wat zou er in die tijd worden bereikt?
24Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.
“De kern van de prediking van Christus was: 'De tijd is vervuld en het koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie.' Zo was de evangelieboodschap, zoals die door de Heiland Zelf gegeven werd, gebaseerd op de profetieën. De 'tijd', waarvan Hij verklaarde, dat ze vervuld was, was de periode, die door de engel Gabriël bekendgemaakt was aan Daniël… Een dag in de profetie betekent een jaar. Zie Numeri 14:34; Ezechiël 4:6. De zeventig weken of vierhonderd negentig dagen, stellen vierhonderd negentig jaren voor.” –De Wens der Eeuwen, blz. 187-188.
A. Welk belangrijk koninklijk mandaat moest het begin van de zeventig weken kenmerken?
25Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.
“Het bevel om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen, zoals dat in zijn geheel werd uitgevaardigd door Artaxerxes Longimanus (zie Ezra 6:14; 7:1, 9), trad in werking in de herfst van het jaar 457 v.Chr. Gerekend vanaf die tijd reiken vierhonderd drieëntachtig jaren tot aan de herfst van 27 n.Chr .” –De Wens der Eeuwen, blz. 188.
B. Beschrijf de voorzieningen in het besluit, die deze profetie vervulden.
11Dit is nu het afschrift des briefs, dien de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde; den schriftgeleerde van de woorden der geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen over Israel:
12Arthahsasta koning der koningen, aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde der wet van den God des hemels, volkomen vrede en op zulken tijd.
13Van mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israel, en van deszelfs priesteren en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga.
21En van mij, mij, koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan gene zijde der rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde der wet van den God des hemels, van u zal begeren, spoediglijk gedaan worde;
22Tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift.
23Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde, voor het huis van den God des hemels; want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk des konings en zijner kinderen?
24Ook laten wij ulieden weten, aangaande alle priesteren en Levieten, zangers, poortiers, Nethinim en dienaars van het huis dezes Gods, dat men den cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen.
25En gij, Ezra, naar de wijsheid uws Gods, die in uw hand is, stel regeerders en richters, die al het volk richten, dat aan gene zijde der rivier is, allen, die de wetten Gods weten, en die ze niet weet, zult gijlieden die bekend maken.
26En al wie de wet uws Gods en de wet des konings niet zal doen, over dien laat spoediglijk recht worden gedaan, hetzij ter dood, of tot uitbanning, of tot boete van goederen, of tot de banden.
27Geloofd zij de HEERE, de God onzer vaderen, Die alzulks in het hart des konings gegeven heeft, om te versieren het huis des HEEREN, dat te Jeruzalem is.
"Hij (De Heer) bewoog het hart van de koning, zodat Ezra genade bij hem vond. De koning stelde hem overvloedig middelen ter hand voor de herbouw van de tempel, en schiep de mogelijkheid voor terugkeer van de Joden." –Bijbelkommentaar, blz. 161.
C. Wat voorspelde de profetie ook over de bediening van de Messias? (eerste deel), 27 (eerste deel).
26En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromende vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.
“Volgens de profetie zou deze periode zich uitstrekken tot op de Messias, de Gezalfde. In 27 n. Chr. ontving Jezus bij Zijn doop de zalving van de Heilige Geest en begon spoedig daarna Zijn dienstwerk. Toen werd de boodschap verkondigd: 'De tijd is vervuld.' Voorts zei de engel: ‘En Hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang (zeven jaar)’. Zeven jaar lang nadat de Heiland Zijn dienstwerk begonnen was, zou het evangelie in het bijzonder tot de Joden gepredikt worden; drie en een half jaar door Christus Zelf; en daarna door de apostelen. 'In de helft van de week zal Hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden'. (Daniël 9:27). In het voorjaar van het jaar 31 n.Chr. werd Christus, het ware offer, op Golgotha ten offer gebracht. Toen werd het voorhangsel in de tempel in tweeën gescheurd, waardoor werd aangetoond, dat de heiligheid en betekenis van de offerdienst verdwenen was. De tijd was gekomen, waarop de aardse slachten spijsoffers zouden ophouden. De ene week, zeven jaar, eindigde in het jaar 34 n.Chr. Toen bevestigden de Joden door de steniging van Stefanus, uiteindelijk hun verwerping van het evangelie; de discipelen, die door de vervolging naar alle kanten werden verstrooid, ‘trokken het land door, het evangelie verkondigende’ (Handelingen 8:4).” –De Wens der Eeuwen, blz. 188. Sabbat Bijbel Lessen, Jaargang 102, nr. 2 35
A. Welke tragedie moest er plaatsvinden, nadat de 490 jaar voorbij waren? (laatste deel), 27 (laatste deel);
26En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromende vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.
20Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.
“Gods geduld met Jeruzalem versterkte de Joden alleen maar in hun hardnekkige onboetvaardigheid… Toch verklaarden zij (hun leiders), die dit duivelse werk hadden ontketend in hun blinde en godslasterlijke aanmatiging openlijk, dat ze niet vreesden, dat Jeruzalem zou worden verwoest, daar het Gods eigen stad was. Om meer macht in handen te krijgen, kochten ze valse profeten om, die, zelfs toen de Romeinse legioenen de tempel belegerden, moesten verkondigen, dat het volk moest wachten op de verlossing van God. Tot op het laatste ogenblik bleef de menigte geloven, dat de Allerhoogste tussenbeide zou komen om hun tegenstanders te vernietigen. Maar Israël had Gods bescherming van de hand gewezen en was nu weerloos. Ongelukkig Jeruzalem! Verscheurd door interne onenigheid, met straten besmeurd door het bloed van zijn kinderen, die elkaar hadden vermoord, terwijl vreemde legers zijn vestingen sloopten en zijn strijders doodden!” –De Grote Strijd, blz. 26, 27.
B. Nu we dit eerste deel van de dagen begrepen hebben, wat kunnen we dan vaststellen?
14En hij zeide tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.
24Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.
“De profetieën zijn tot in de kleinste bijzonderheden uitgekomen. Het leed dan ook niet de minste twijfel, dat de zeventig weken in 457 v. Chr. begonnen en in 34 n. Chr. eindigden. Het is dan niet moeilijk te bepalen wanneer ‘de tweeduizend driehonderd avonden en morgens’ eindigden. De zeventig weken of 490 dagen waren afgesneden van het grotere stuk van de 2300 dagen. Er bleven dus nog 1810 dagen over. Als men bij 34 na Chr. 1810 jaar optelt, komt men in 1844. Volgens de engel zou bij het verstrijken van deze periode ‘het heiligdom in rechte staat hersteld worden’. Zo was het tijdstip van de reiniging van het heiligdom, dat naar men algemeen aannam bij de wederkomst van Christus zou plaatsvinden, ook vastgesteld." –De Grote Strijd, blz. 307-308.
Terugblik
1. Wat wilde Daniël graag begrijpen, ook al was hij zelf een profeet?2. Waarom nam Daniël deel aan de gebeden van berouw over de zonden, die Israël in het verleden had begaan?3. Hoe weten we met zekerheid, dat Daniël 9 het mysterie van Daniël 8 oplost?4. Leg de gebeurtenis uit, die het begin van de profetie van 490 jaar markeerde.5. Beschrijf de verwoesting van Jeruzalem, zoals voorspeld door Daniël en Jezus.