Spring naar inhoud
chevron_left Vorige les
slideshow print
Volgende les chevron_right
Les 2SABBAT, 8 april 2023

Stel niet langer uit

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing”

Efeze 4:30

“Het geweten is de stem van God, die gehoord wordt te midden van het conflict van menselijke hartstochten; wanneer deze wordt weerstaan, wordt de Geest van God bedroefd.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 101.

Aanvullende studie :: –De Wens der Eeuwen, blz. 465-470 .
A. Aangezien allen gezondigd hebben en de heerlijkheid van God missen (), verdient iemand het dan om gerechtvaardigd te worden?
Romeinen 3:23
23Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;
Job 25:4-6
4Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is?
5Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven; en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen.
6Hoeveel te min de mens, die een made is, en des mensen kind, die een worm is!
B. Hoe kunnen we gered worden, als wij het niet verdienen?
Psalmen 55:17
17Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.
Handelingen 2:21
21En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
C. Hoe is het mogelijk, dat ik in mijn zondigheid Gods heilige naam kan aanroepen?
Psalmen 55:18
18Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.
2 Kronieken 6:36-39
36Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in een land, dat verre of nabij is;
37En zij in het land, waar zij gevankelijk weggevoerd zijn, weder aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land hunner gevangenis, zeggende: Wij hebben gezondigd, verkeerdelijk gedaan, en goddelooslijk gehandeld;
38En zij zich tot U bekeren, met hun ganse hart en met hun ganse ziel, in het land hunner gevangenis, waar zij hen gevankelijk weggevoerd hebben, en bidden zullen naar den weg huns lands, dat Gij hun vaderen gegeven hebt, en naar deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
39Hoor dan uit den hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, hun gebed en hun smekingen, en voer hun recht uit, en vergeef Uw volk, wat zij tegen U gezondigd zullen hebben.
Romeinen 8:26
26En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
1 Johannes 1:7 (+1)
7Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
9Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
“Uit deze geschriften is het duidelijk, dat het niet Gods wil is, dat u wantrouwend bent en uw ziel kwelt met de angst, dat God u niet zal aannemen, omdat u zondig en onwaardig bent. ‘Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen’ (Jakobus 4:8). Leg uw zaak Hem voor en pleit op de verdiensten van het bloed, dat voor u vergoten is op het kruis van Golgotha. Satan zal u ervan beschuldigen een grote zondaar te zijn, en u moet dit toegeven, maar u kunt zeggen: ‘Ik weet, dat ik een zondaar ben en dat is de reden, waarom ik een Verlosser nodig heb. Jezus kwam in de wereld om zondaars te redden… Ik heb geen verdienste of goedheid, waardoor ik aanspraak kan maken op redding, maar ik presenteer voor God het allesverzoenende bloed van het vlekkeloze Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. Dit is mijn enige smeekbede. De naam van Jezus geeft mij toegang tot de Vader. Zijn oor, Zijn hart, staat open voor mijn zwakste smeekbede, en Hij voorziet in mijn diepste behoeften’.” –Faith and Works, blz. 105-106.