Helderdere lichtstralen - Schatten der waarheid (II) — SABBAT, 10 juni 2023

Les 11: De verbroken schakel

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Dat u niemand verleide op enigerlei wijze, want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs”

2 Thessalonicensen 2:3

“We zijn bezig met een belangrijk en essentieel werk, en we moeten een agressieve oorlogsvoering voeren. We moeten staan voor ware protestantse principes; want het beleid van het pausdom zal zich een weg banen naar alle mogelijke plaatsen om gewetensvrijheid te verbieden.” –The Review and Herald, 9 september 1909.

Aanvullende studie :: –De Grote Strijd, blz. 45–57, 404–418.

ZONDAG — 4 juni

1. HET GRUWELIJKE BEEST MET IJZEREN TANDEN

A. Welke beschrijving wordt gegeven van het volgende profetische beest, het machtige Romeinse rijk, en hoe werd zijn wreedheid getoond in de behandeling van de Verlosser der wereld?

Daniël 7:7;

Daniël 7:7: Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen.

Matthéüs 27:27-35.

Mattheüs 27:27: Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden over Hem de ganse bende. Mattheüs 27:28: En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om; Mattheüs 27:29: En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieen voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! Mattheüs 27:30: En op Hem gespogen hebbende, namen zij de rietstok en sloegen op Zijn hoofd. Mattheüs 27:31: En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen. Mattheüs 27:32: En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met name Simon; deze dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg. Mattheüs 27:33: En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats, Mattheüs 27:34: Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken. Mattheüs 27:35: Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.

“Het bevel van het keizerlijke Rome, dat de volken van zijn uitgestrekt machtsgebied moeten worden ingeschreven, heeft ook de bewoners van de heuvels van Galilea bereikt…Er is geen plaats voor hen in de drukbezochte herberg. In een primitief gebouw, waar de dieren zijn ondergebracht, vinden ze tenslotte een toevlucht, en hier wordt de Verlosser der wereld geboren.” –De Wens der Eeuwen, blz. 27. “De menigte riep om het bloed van Jezus. Zij geselden Hem op wrede wijze, en deden Hem een oude purperen koninklijke mantel om, en zetten een kroon van doornen op Zijn heilig hoofd… Jezus stond zachtmoedig en nederig voor de woedende menigte, terwijl zij Hem op de laagste wijze mishandelden. Ze spuwden Hem in het aangezicht, dat aangezicht, voor hetwelk zij zich eenmaal zullen wensen te kunnen verbergen; dat licht zal geven aan de stad Gods en helderder schijnen dan de zon.”–Eerste Gezichten, blz. 198, 199. B. Welk vreemd onderscheid deed zich uiteindelijk voor in dat rijk? Daniël 7:19–24.

MAANDAG — 5 juni

2. HIJ DENKT GODS WET TE VERANDEREN

A. Hoe weten we, dat de wet van God niet veranderd kan worden?

Psalm 111:7-8;

Psalmen 111:7: Mem. De werken Zijner handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw. Psalmen 111:8: Samech. Zij zijn ondersteund voor altoos, en in eeuwigheid; Ain. zijnde gedaan in waarheid en oprechtigheid.

Matthéüs 5:17-19;

Mattheüs 5:17: Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. Mattheüs 5:18: Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Mattheüs 5:19: Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.

Lukas 16:17;

Lukas 16:17: En het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel der wet valle.

Openbaring 22:14.

Openbaring 22:14: Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.

“De wet van God werd met Zijn eigen vinger op stenen tafelen geschreven, zo aantonende, dat hij deze nooit veranderd of afgeschaft kon worden. Hij moet door de eeuwen heen bewaard blijven, onveranderlijk als de principes van Zijn regering.” –Counsels to Parents, Teachers, and Students, blz. 248. “De dood is het loon van de zonde, en de wet kan niet in het minst worden veranderd om een ontsnappingsmogelijkheid te creëren voor de overtreder. De smart van Christus aan het kruis van Golgotha spreekt luider dan enig argument, dat kan worden aangevoerd om de onveranderlijkheid van de wet te bewijzen.” –The Review and Herald, 19 juli 1892. “Satan heeft de christelijke wereld misleid met het verhaal dat, toen Christus stierf, Hij de wet afschafte. Het was het kruis van Golgotha, dat de wet van God verhief en eervol maakte… Als God ook maar één jota van Zijn wet had kunnen veranderen, had Jezus niet naar onze wereld hoeven komen om te lijden en te sterven.” –The Signs of the Times, 24 november 1887. B. Welke macht moest zich ontwikkelen in het Romeinse Rijk? Wat denkt deze te doen en om welke geboden gaat het specifiek? Daniël 7:23-25; Exodus 20:4-6, 8-11.

“Om het godslasterlijke werk af te ronden, heeft Rome zich het recht toegeëigend het tweede gebod, dat de beeldendienst verbied, uit Gods wet te schrappen en het tiende gebod te splitsen om toch het juiste aantal te behouden.” –De Grote Strijd, blz. 47. “Maar pausgezinden beweren, dat het tweede gebod is weggelaten, omdat het niet nodig is, daar het in het eerste gebod besloten ligt en dat zij de wet uitleggen, zoals God het bedoelt. Dit kan dus niet de verandering zijn, die de profeet heeft voorgezegd. Er is sprake van een opzettelijke, weloverwogen verandering: ‘Hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen’. De verandering van het vierde gebod beantwoordt precies aan deze profetie. Om deze verandering te rechtvaardigen wordt er uitsluitend een beroep gedaan op het gezag van de kerk. In dit geval verheft de pauselijke macht zich openlijk boven God.” –De Grote Strijd, blz. 414. “De grote afvallige was erin geslaagd zich te verheffen ‘tegen al wat God of voorwerp van verering heet’ (2 Thessalonicensen 2:4). Hij had het enige gebod van de heilige wet, dat het hele mensdom duidelijk wijst op de ware en enige God, veranderd. In het vierde gebod wordt God geopenbaard als de Schepper van hemel en aarde. Het maakt daardoor een onderscheid tussen Hem en de afgoden.” –De Grote Strijd, blz. 51.

DINSDAG — 6 juni

3. HET GODSLASTERLIJKE BEEST

A. Hoe spreekt de macht van de hoorn in Daniël 7 ‘grote woorden tegen de Allerhoogste’, godslasterlijk de autoriteit toekennend aan mensen en uitdagend om zonden te vergeven, en meer?

Daniël 7:25;

Daniël 7:25: En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds.

2 Thessalonicensen 2:4.

2 Thessalonicenzen 2:4: Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geeerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.

“Volgens één van de belangrijkste leerstellingen van de rooms-katholieke kerk is de paus het zichtbare hoofd van Christus’ wereldkerk en is hij bekleed met de hoogste macht over bisschoppen en priesters in alle delen van de wereld. Maar daar blijft het niet bij: men heeft de paus de namen en aanspreektitels van de Godheid gegeven. De paus wordt ‘,Here God de Paus’ genoemd en hij is onfeilbaar verklaard. Hij wil, dat alle mensen hem eer bewijzen. Zo wordt dezelfde eis, die Satan in de woestijn heeft gesteld, nog altijd herhaald door bemiddeling van de kerk van Rome. Zeer veel mensen zijn bereid hem deze eer inderdaad ook te bewijzen.” ¬–De Grote Strijd, blz. 46. “De mensen vertrouwden niet meer op de Zoon van God voor de vergeving van hun zonden en hun eeuwige zaligheid, maar richtten hun blik naar de paus en naar de priesters en prelaten, die hij met macht had bekleed. Men leerde aan hen, dat de paus hun aardse middelaar was en dat niemand tot God kon komen dan door hem; men zei ook, dat hij Gods vertegenwoordiger was en dat de mensen hem daarom onvoorwaardelijk moesten gehoorzamen.” –De Grote Strijd, blz. 52. “God heeft nergens in Zijn woord ook maar enige aanwijzing gegeven, dat Hij een mens heeft aangesteld tot hoofd van de gemeente. De leer van de pauselijke heerschappij druist lijnrecht in tegen de leer van de Bijbel.” –De Grote Strijd, blz. 46. “In de elfde eeuw werd er nog een stap gezet op de weg van de pauselijke aanmatiging, toen paus Gregorius VII de volmaaktheid van de rooms-katholieke kerk afkondigde. Een van de stellingen, die hij verdedigde, luidde: ‘De kerk heeft volgens de Schrift nooit gedwaald en kan ook nooit dwalen’. Maar hij staafde zijn bewering niet met bewijzen uit het Schrift.” –De Grote Strijd, blz. 54. B. Hoe weten we, dat deze manifestatie van de antichrist niet alleen een toekomstige gebeurtenis is, maar al was begonnen in de dagen van de apostelen en vanaf het vestigen van het christendom? 2 Thessalonicensen 2:3, 7; 1 Johannes 2:18-19; 4:1-3; Handelingen 20:28-30.

“In zijn tweede brief aan de Tessalonicensen voorzegde de apostel Paulus de grote afval, die zou leiden tot de vestiging van het pausdom. (Zie Thessalonicensen 2:3-4, 7).” –De Grote Strijd, blz. 45. “De valse Sabbat is in stand gehouden door middel van bovenmenselijke tussenkomst, opdat God onteerd zou worden. Het is een teken van Satans overmacht op de aarde.” –The Signs of the Times, 12 maart 1894.

WOENSDAG — 7 juni

4. EEN BLOEDDORSTIGE GEMEENTE

A. Waardoor verwondert de profeet zich bij het aanschouwen van zulke daden van zogenaamde christenen?

Daniël 7:25;

Daniël 7:25: En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds.

Matthéüs 24:21-22;

Mattheüs 24:21: Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. Mattheüs 24:22: En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.

Openbaring 13:7;

Openbaring 13:7: En hetzelve werd macht gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk.

17:6.

Openbaring 17:6: En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering.

“In de dertiende eeuw werd het vreselijkste werktuig van het pausdom in gebruik genomen: de Inquisitie. De vorst van de duisternis werkte samen met de leiders van de pauselijke hiërarchie. In hun geheime beraadslagingen beheersten Satan en zijn engelen de geesten van de mensen, terwijl ongemerkt een engel van God in hun midden was en het vreselijke verslag van hun schandelijke besluiten opmaakte en de geschiedenis optekende van daden, die te verschrikkelijk zijn om door de ogen van mensen te worden gezien. ‘Het grote Babylon’ was ‘dronken van het bloed der heiligen’. De verminkte lichamen van miljoenen martelaren riepen tot God om wraak op deze afvallige macht.” –De Grote Strijd, blz. 56. “Het pausdom beantwoordt volkomen aan de beschrijving van de profetie: het is de afval, die in de eindtijd zal komen (zie 2 Thessalonicensen 2:3-4). Het neemt altijd de gedaante aan, die het best aan zijn doel beantwoordt. Onder de veranderende verschijningsvorm van de kameleon verbergt het pausdom echter het onveranderlijke gif van de slang.” –De Grote Strijd, blz. 525. B. Wat moeten christenen, die geconfronteerd worden met dergelijke wreedheden van andere zogenaamde gelovigen, onthouden, dat hun hoop zal geven? 2 Timótheüs 3:12; Openbaring 2:10; Lukas 21:28.

“Spoedig zouden gevaarlijke wolven komen, die de kudde niet zouden sparen. Maar geen van deze dingen zou ontmoediging brengen aan hen, wier hoop gevestigd was op Christus. Met woorden vol bemoediging en opgewektheid richtte Petrus de geest der gelovigen van de beproevingen, die hun deel waren, en van de toekomstige tonelen van lijden ‘naar een onvergankelijke en onbevlekte en onverwelkelijke erfenis’.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 385. “God heeft in Zijn genade deze periode van wrede beproevingen voor Zijn volk ingekort… Dankzij de invloed van de Hervorming eindigden de vervolgingen vóór 1798.” –De Grote Strijd, blz. 253. “In alle eeuwen heeft Satan Gods volk vervolgd. Hij heeft ze gemarteld en ter dood gebracht, maar in hun sterven werden ze overwinnaars. Ze getuigden van de macht van Eén, machtiger dan Satan. Goddeloze mensen mogen het lichaam pijnigen en doden, maar het leven, dat met Christus in God verborgen is, kunnen ze niet aanroeren. Ze kunnen mannen en vrouwen opsluiten in kerkers, maar de geest kunnen ze niet binden. Door beproeving en vervolging wordt de heerlijkheid, het karakter, van God geopenbaard in Zijn uitverkorenen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 420.

DONDERDAG — 8 juni

5. HET EINDE VAN ZIJN MACHT

A. Omdat we weten, dat een dag in de profetie een jaar vertegenwoordigt (Numeri 14:34; Ezechiël 4:6), hoe lang kon deze macht dan zo’n vervolgend gezag hebben?

Daniël 7:25;

Daniël 7:25: En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds.

Openbaring 12:6, 14;

Openbaring 12:6: En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. Openbaring 12:14: En der vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.

13:5.

Openbaring 13:5: En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en gods lasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.

“In de zesde eeuw had het pausdom al een stevige positie verworven. De zetel van zijn macht was gevestigd in de hoofdstad van het keizerrijk en de bisschop van Rome werd tot hoofd van de hele kerk uitgeroepen. Het heidendom had plaats gemaakt voor het pausdom. ‘En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht’ (Openbaring 13:2). Toen begonnen de 1260 jaren van pauselijke onderdrukking, die waren aangekondigd in de profetieën van Daniël en de Openbaring. (Daniël 7:25; Openbaring 13:5-7). De christenen werden door de paus gesteld hun geloof de rug toe te keren en de roomse ceremoniën en eredienst te aanvaarden, of de rest van hun leven door te brengen in kerkers en ter dood gebracht te worden op de pijnbank, de brandstapel of het schavot. Toen gingen de woorden van Jezus in vervulling: ‘Gij zult overgeleverd worden, zelfs door ouders en broeders en verwanten en vrienden; en zij zullen sommigen van u doden, en gij zult door allen gehaat worden om Mijns naams wil’ (Lukas 21:16-17). De vervolgingen, die over de gelovigen losbarstten, waren heviger dan ooit tevoren, en de wereld werd één groot slagveld. Eeuwenlang vond de gemeente van Christus een toevlucht in de afzondering en de eenzaamheid.” –De Grote Strijd, blz. 51-52. “De hier vermelde tijdperken, ‘twee en veertig maanden lang’ en ‘twaalfhonderdzestig dagen lang’, zijn dezelfde periode, namelijk de tijd van onderdrukking van Christus’ gemeente door Rome. De 1260 jaar van de pauselijke suprematie begonnen in 538 na Chr. En eindigden dus in 1798. In dat jaar trok het Franse leger Rome binnen, nam de paus gevangen en voerde hem in ballingschap. Toen de paus stierf, was hij nog altijd uit Rome verbannen. Hoewel er onmiddellijk na zijn dood een nieuwe paus werd verkozen, zijn zijn opvolgers er nooit in geslaagd dezelfde macht uit te oefenen als vroeger.” –De Grote Strijd, blz. 253.

VRIJDAG — 9 juni

Terugblik