Spring naar inhoud
Vorige les
Presentatie Print
Volgende les

Les 2SABBAT, 9 januari 2021

REUZEN OVERWINNEN

Tekst om te onthouden

“En deze ganse vergadering zal weten, dat de Heere niet door het zwaard, noch door de spies, verlost, want de krijg is des Heeren”

1 Samuel 17:47

“Degenen, die de meest plechtige boodschap brengen, die ooit aan onze wereld is gegeven, moeten de strijdbare wapenrusting afleggen en de wapenrusting van Christus’ gerechtigheid aandoen.” ¬–Evangelism, blz. 166.

Aanvullende studie: -Testimonies 3, blz. 212-221

ZONDAG · 3 januari

1. Leren dieper te vertrouwen

A. Hoe werkte David samen met Gods voorzienigheid om wijsheid en ervaring te verkrijgen om toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden ? .

1 Samuël 16:14-23

14En de Geest des HEEREN week van Saul; en een boze geest van den HEERE verschrikte hem.

15Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een boze geest Gods verschrikt u.

16Onze heer zegge toch tot uw knechten, die voor uw aangezicht staan, dat zij een man zoeken, die op de harp spelen kan; en het zal geschieden, als de boze geest Gods op u is, dat hij met zijn hand spele, dat het beter met u worde.

17Toen zeide Saul tot zijn knechten: Ziet mij toch naar een man uit, die wel spelen kan, en brengt hem tot mij.

18Toen antwoordde een van de jongelingen, en zeide: Zie, ik heb gezien een zoon van Isai, den Bethlehemiet, die spelen kan, en hij is een dapper held, en een krijgsman, en verstandig in zaken, en een schoon man, en de HEERE is met hem.

19Saul nu zond boden tot Isai, en zeide: Zend uw zoon David tot mij, die bij de schapen is.

20Toen nam Isai een ezel met brood, en een lederen zak met wijn, en een geitenbokje; en hij zond ze door de hand van zijn zoon David aan Saul.

21Alzo kwam David tot Saul, en hij stond voor zijn aangezicht; en hij beminde hem zeer, en hij werd zijn wapendrager.

22Daarna zond Saul tot Isai, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heeft genade in mijn ogen gevonden.

23En het geschiedde, als de geest Gods over Saul was, zo nam David de harp, en hij speelde met zijn hand; dat was voor Saul een verademing, en het werd beter met hem, en de boze geest week van hem.

“In de voorzienigheid van God werd David, als een bekwaam harpspeler, voor de koning gebracht. De herdersjongen werd aangesteld om voor de heerser van Israël te spelen en, indien mogelijk, om de sombere melancholie te bezweren, die zich als een donkere wolk over de geest van Saul had gevestigd.” –The Signs of the Times, 3 augustus, 1888.
“David nam toe in gunst bij God en bij de mensen. Hij was onderwezen in de weg des Heren, en nam zich nu voor meer dan ooit rekening te houden met Gods wil. Hij had nieuwe dingen om over na te denken. Hij was aan het hof van de koning geweest en had gezien, welke taken met het koningschap verbonden waren. Hij had enkele van de verleidingen ontdekt, waaraan Saul bloot stond… Maar als hij diep in gedachten verzonken was, en door onrust werd overvallen, nam hij zijn harp, en bracht tonen voort, die zijn gedachten richtten op de Bron van alle goeds, zodat de duistere wolken die de toekomst schenen te bedekken, werden verdreven.
God onderwees David in de les van vertrouwen. Zoals Mozes voor zijn taak werd opgeleid, maakte de Here de zoon van Isaï geschikt om de leidsman van Zijn uitverkoren volk te worden. Door zijn zorg voor de kudde kreeg hij een beter begrip van de zorg, die de grote Herder heeft voor de schapen Zijner weide.” –Patriarchen en Profeten, blz. 586-587.
MAANDAG · 4 januari

2. Prioriteiten onthuld in een crisis

A. Welk ernstig probleem trof geheel Israël in deze tijd? .

1 Samuël 17:1-11

1En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.

2Doch Saul en de mannen van Israel verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.

3De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de Israelieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.

4Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.

5En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;

6En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;

7En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.

8Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israel, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome.

9Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen.

10Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israel gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!

11Toen Saul en het ganse Israel deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich, en vreesden zeer.

“De Filistijnen stelden voor de oorlog op hun wijze te strijden, door iemand uit te kiezen, die heel groot en sterk was, ongeveer twaalf voet lang.” –Bijbelkommentaar, blz. 112.
“Veertig dagen lang had het leger van Israël gebeefd voor de trotse uitdaging van de Filistijnse reus. Hun harten bezweken, als ze zijn reuzengestalte zagen… Op zijn hoofd droeg hij een koperen helm, hij droeg een pantser van vijfduizend sikkels (ongeveer vijfenveertig kilo) en koperen scheenbeschermers. Het pantser was gemaakt van koperen plaatjes, die over elkaar lagen als schubben van een vis, en ze waren zo dicht, dat geen speerpunt of pijl er doorheen kon dringen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 589.

B. Wat was de grootste zorg van David tijdens de crisis?

1 Samuël 17:21-26

21En de Israelieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde.

22David nu liet de vaten van zich, onder de hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broederen naar hun welstand.

23Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam der kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heir der Filistijnen, en hij sprak achtervolgens die woorden; en David hoorde ze.

24Doch alle mannen in Israel, als zij dien man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer.

25En de mannen Israels zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israel te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israel.

26Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israel wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?

“Hij (David) was met ijver bezield om de eer van de levende God en het vertrouwen van de kinderen Israëls te bewaren. Hij kon het niet verdragen, dat deze stoutmoedige afgodendienaar dag in dag uit de uitverkorenen van de Heer mocht bespotten, zonder een poging te doen om zijn trotse hoogmoed en spot omver te werpen.” –The Signs of the Times, 3 augustus 1888.

C. Stel de houding van Davids oudste broer, Eliab, hier tegenover.

1 Samuël 17:28-29

28Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.

29Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?

“Eliab, de oudste broer van David, … kende goed de gevoelens, die de ziel van de jongeman roerden. Zelfs als herder van de kudden van Bethlehem had hij durf, moed en kracht getoond, die niet gemakkelijk te verklaren waren; en het mysterieuze bezoek van Samuël aan het huis van hun vader en zijn stille vertrek hadden in de hoofden van de broers vermoedens gewekt over het werkelijke doel van zijn bezoek. Hun jaloezie was gewekt, toen zij zagen, dat David boven hen geëerd werd, en ze beschouwden hem niet met het respect en de liefde vanwege zijn integriteit en broederlijke tederheid. Zij beschouwden hem slechts als een jonge herder, en nu werd de vraag, die hij stelde, door Eliab beschouwd als een afkeuring op zijn eigen lafheid door geen poging te doen om de reus van de Filistijnen het zwijgen op te leggen.” –The Signs of the Times, 3 augustus 1888.
DINSDAG · 5 januari

3. David en Goliath

A. Hoe kunnen wij het door David getoonde geloof in onze eigen leven opnemen? .

1 Samuël 17:32-37

32En David zeide tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden.

33Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen heengaan tot dezen Filistijn, om met hem te strijden; want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijn jeugd af.

34Toen zeide David tot Saul: Uw knecht weid de schapen zijns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg.

35En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem.

36Uw knecht heeft zo den leeuw als den beer geslagen; alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk een van die, omdat hij de slagorden van den levenden God gehoond heeft.

37Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u!

“Wanneer wij op een bijzondere wijze uit moeilijkheden zijn gered, wanneer nieuwe of onverwachte gunstbewijzen ons deel geworden zijn, moeten we Gods goedheid erkennen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 158.
“Onze voorbereiding om tegenstanders het hoofd te bieden of om het volk te dienen moet van God worden verkregen bij de troon van hemelse genade. Hier, bij het ontvangen van de genade van God, wordt onze eigen onbekwaamheid gezien en erkend. De waardigheid en heerlijkheid van Christus is onze kracht.” –Evangelism, blz. 166-167.

B. Hoe openbaarde David het geheim van de overwinning?

1 Samuël 17:38-40

38En Saul kleedde David met zijn klederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier.

39En David gordde zijn zwaard aan over zijn klederen, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zeide David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David legde ze van zich.

40En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijn hand; alzo naderde hij tot den Filistijn.

1 Samuël 17:43-51

43De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.

44Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds.

45David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israel, Dien gij gehoond hebt.

46Te dezen dage zal de HEERE u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des velds geven; en de ganse aarde zal weten, dat Israel een God heeft.

47En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven.

48En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet.

49En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.

50Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand.

51Daarom liep David, en stond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.

“Goliath vertrouwde op zijn wapenrusting. Hij joeg de legers van Israël angst aan door zijn uitdagende, woeste opschepperij, terwijl hij een zeer indrukwekkend vertoon gaf van zijn wapenrusting, welke zijn kracht was. David, in zijn nederigheid en ijver voor God en zijn volk, stelde voor om deze opschepper tegemoet te treden. Saul stemde toe en liet zijn eigen koninklijke wapenrusting op David plaatsen. Maar hij wilde deze niet dragen. Hij legde de wapenrusting van de koning af, want het paste hem niet. Hij had God getest en had, door op Hem te vertrouwen, bijzondere overwinningen behaald. Het aantrekken van Sauls wapenrusting zou de indruk wekken, dat hij een krijger was, terwijl hij maar de kleine David was, die de schapen hoedde. Hij bedoelde niet, dat er enig vertrouwen zou worden gegeven aan de wapenrusting van Saul, want zijn vertrouwen was in de Heere de God van Israël. Hij koos een paar kiezelstenen uit de beek en met zijn slinger en staf, zijn enige wapens, ging hij uit in de naam van de God van Israël om de gewapende krijger tegemoet te treden.
Goliath minachtte David, want zijn uiterlijk was dat van slechts een jongere, die niet onderwezen was in de tactiek van oorlogvoering… Hij voelde, dat het een belediging van zijn waardigheid was, dat slechts een jonge jongen, zonder zelfs maar een wapenrusting, hem tegemoet trad. Hij schepte op over wat hij hem zou aandoen. David raakte niet geïrriteerd, omdat hij als zo minderwaardig werd beschouwd, noch beefde hij voor zijn vreselijke bedreigingen, maar antwoordde: ‘Gij komt tot mij met een zwaard en met een spies en met een schild; maar ik kom tot u in de Naam van de Heere der heerscharen’.” –Testimonies 3, blz. 218-219.
WOENSDAG · 6 januari

4. Geloof ondanks het uiterlijk

A. Wat kunnen wij leren van Davids diepe en blijvende vertrouwen in God en Zijn wet? ;.

Psalmen 19:8-12

8De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.

9De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.

10De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.

11Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.

12Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.

Psalmen 20:6-9

6Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods. De HEERE vervulle al uw begeerten.

7Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden.

8Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.

9Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven. [ (Psalms 20:10) O HEERE! behoud; die Koning verhore ons ten dage van ons roepen. ]

“De Heere wil, dat wij ons bewust worden van onze werkelijke geestelijke toestand. Hij wil, dat ieder zijn hart en verstand voor Hem vernedert. De geïnspireerde woorden in de negentiende en twintigste Psalm zijn mij voorgehouden voor ons volk. Het is ons voorrecht om deze kostbare beloften te aanvaarden en de waarschuwingen te geloven…
’s Nachts scheen ik deze woorden voor onze leden te herhalen: Er is behoefte zichzelf te onderzoeken. Wij hebben geen tijd om deze te besteden aan het toegeven aan onze eigen neigingen. Als we met God verbonden zijn, zullen wij onze harten voor Hem verootmoedigen en er naar streven een christelijk karakter te volmaken. We hebben een groot, ernstig werk te doen, want de wereld moet verlicht worden betreffende de tijd, waarin we leven; en de wereld zal verlicht worden, als er duidelijk wordt getuigd. Dat zal leiden tot ernstig zelfonderzoek.” –Bijbelkommentaar, blz. 181-182.
“Wij moeten ons eigen hart onderzoeken en zien, dat alles, wat niet in overeenstemming is met Gods wil, van ons wordt gescheiden.” –The Review and Herald, 10 mei 1887.

B. Hoe bevestigde Jezus, dat Zijn volk door Zijn kracht de schijnbaar onoverwinbare reuzen van zonde en egoïsme kan overwinnen? ;;.

Markus 10:26-27

26En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?

27Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.

Markus 11:22-23

22En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Hebt geloof op God.

23Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot dezen berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven hetgeen hij zegt, geschieden zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt.

Filippenzen 1:6

6Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus;

“In Christus heeft God ons een middel gegeven om iedere zondige karaktertrek te overwinnen en om weerstand te bieden aan iedere verzoeking, hoe sterk die ook moge zijn. Maar velen menen, dat het geloof hun ontbreekt, en daarom blijven zij verwijderd van Christus. Laten deze zielen, in hun hulpeloze onwaardigheid, zichzelf overgeven aan de genade van hun barmhartige Heiland. Zie niet op uzelf, maar op Christus. Hij, Die de zieken heeft genezen en de boze geesten heeft uitgeworpen, toen Hij onder de mensen wandelde, is heden nog dezelfde machtige Verlosser. Het geloof komt tot ons door het Woord van God. Klem u dan vast aan Zijn belofte: ‘Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen’ (Johannes 6:37). Werp u aan Zijn voeten met de woorden: ‘Helpt U me, als mijn geloof te kort schiet’. U kunt nooit verloren gaan, wanneer u dit doet, nooit.” –De Wens der Eeuwen, blz. 373.
DONDERDAG · 7 januari

5. Het laatste werk

A. Hoe moeten allen, die in de laatste dagen met de tegenwoordige waarheid zijn belast, van Jezus leren en voorkomen, dat zij ten prooi vallen aan de geest van Goliath? .

Judas 1:9

9Maar Michael, de archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestraffe u!

“Bij de presentatie van niet populaire waarheid, waarbij een zwaar kruis betrokken is, moeten predikers voorzichtig zijn, dat elk woord is, zoals God het wil. Hun woorden mogen nooit snijden. Zij moeten de waarheid nederig presenteren, met de diepste liefde voor zielen en een oprecht verlangen naar hun redding, en de waarheid laten snijden. Zij moeten predikanten van andere geloofsrichtingen niet trotseren en proberen een debat uit te lokken… Het trotseren, het opscheppen en het honen moeten komen van de tegenstanders van de waarheid, die handelen als Goliath. Maar geen van deze geest mag worden gezien in degenen, die God heeft uitgezonden om de laatste waarschuwingsboodschap te verkondigen aan een verdoemde wereld.” –Testimonies 3, blz. 218.

B. Welke hoop biedt God Zijn kleine overblijfsel in de laatste dagen? ;. Wat moet de aarde verlichten? .

Zacharia 4:10

10Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de ogen des HEEREN, die het ganse land doortrekken.

Lukas 17:6

6En de Heere zeide: Zo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudt tegen dezen moerbezienboom zeggen: Word ontworteld, en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn.

Openbaring 18:1

1En na dezen zag ik een anderen engel afkomen uit den hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid.

“En in deze laatste generatie zal de gelijkenis van het mosterdzaadje een veelzeggende en triomfantelijke vervulling hebben. Het zaadje zal een boom worden. De laatste waarschuwingsboodschap moet gaan naar ‘alle volk en stam en taal en natie om een volk voor Zijn naam uit de heidenen te vergaderen’ (Handelingen 15:14; Openbaring 18:1). De aarde zal verlicht worden met Zijn heerlijkheid.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 44.
“De openbaring van Zijn heerlijkheid in de gedaante van mensen zal de hemel zo dicht bij de mensen brengen, dat de schoonheid van de innerlijke tempel zichtbaar zal zijn in iedereen, in wie de Heiland woont. De mensen zullen gegrepen worden door de heerlijkheid van een Christus, die aanwezig is.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 260.
VRIJDAG · 8 januari

Terugblik

Terugblik

1. Hoe groeide David, terwijl hij Saul suste met zijn harp?
2. Hoe verschilde de houding van David van die van zijn broers?
3. Waarom weigerde David Sauls wapenrusting te dragen?
4. Hoe kunnen wij deze les toepassen bij de confrontatie met de figuurlijke ‘reuzen’ van vandaag?
5. Maak een onderscheid tussen de geest van David en die van de hedendaagse Goliath.