“Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dit geslacht verkondige Uw arm, alle nakomelingen Uw macht”
Psalm 71:18
“Heerlijk zijn de beloften, die aan David en zijn huis gedaan zijn, beloften die heenzien op de toekomst en die in Christus hun volledige vervulling hebben.” –Patriarchen en Profeten, blz. 691.
Aanvullende studie: -Patriarchen en Profeten, blz. 676-691.
A. Wat was zijn grootste zorg, toen David zich op de strijd voorbereidde? 2 Samuël 18:1-5. Hoe vond Absalom echter de dood? Verzen 9-1014-15
1 En David monsterde het volk, dat met hem was; en hij stelde over hen oversten van duizenden, en oversten van honderden.
2 Voorts zond David het volk uit, een derde deel onder de hand van Joab, en een derde deel onder de hand van Abisai, den zoon van Zeruja, Joabs broeder, en een derde deel onder de hand van Ithai, den Gethiet. En de koning zeide tot het volk: Ik zal ook zelf zekerlijk met ulieden uittrekken.
3 Maar het volk zeide: Gij zult niet uittrekken; want of wij te enen male vloden, zij zullen het hart op ons niet stellen; ja, of de helft van ons stierf, zij zullen het hart op ons niet stellen; maar gij zijt nu als tien duizend onzer. Zo zal het nu beter zijn, dat gij ons uit de stad ter hulpe zijt.
4 Toen zeide de koning tot hen: Ik zal doen, wat goed is in uw ogen. De koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden.
5 En de koning gebood Joab, en Abisai, en Ithai, zeggende: Handelt mij zachtkens met den jongeling, met Absalom. En al het volk hoorde het, als de koning aan al de oversten van Absaloms zaak gebood.
9 Absalom nu ontmoette voor het aangezicht der knechten Davids; en Absalom reed op een muildier; en als het muildier kwam onder de dichte takken van een groten eik, zo werd zijn hoofd vast aan den eik, dat hij hangen bleef tussen den hemel en tussen de aarde, en het muildier, dat onder hem was, ging door.
10 Als dat een man zag, zo gaf hij het Joab te kennen, en zeide: Zie, ik heb Absalom zien hangen aan een eik.
14 Toen zeide Joab: Ik zal hier bij u alzo niet vertoeven; en hij nam drie pijlen, en stak ze in Absaloms hart, daar hij nog levend was in het midden van den eik.
15 En tien jongens, wapendragers van Joab, omringden hem, en zij sloegen Absalom, en doodden hem.
“Toen de koning echter naar de tegenover elkaar staande legers keek, dacht hij niet in de eerste plaats aan de kroon en aan het rijk, of zelfs aan zijn eigen leven, dat afhing van de uitkomst van de strijd. Het hart van de vader ging in liefde en medelijden uit naar zijn opstandige zoon.” –Patriarchen en Profeten, blz. 679-680.
B. Waarom hield Joab Davids reactie tegen? Verzen 32-3319:1-8
32 Toen zeide de koning tot Cuschi: Is het wel met den jongeling, met Absalom? En Cuschi zeide: De vijanden van mijn heer den koning, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling.
33 Toen werd de koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal der poort, en weende; en in zijn gaan zeide hij alzo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!
1 En Joab werd aangezegd: Zie, de koning weent, en bedrijft rouw over Absalom.
2 Toen werd de verlossing te dienzelven dage het ganse volk tot rouw; want het volk had te dienzelven dage horen zeggen: Het smart den koning over zijn zoon.
3 En het volk kwam te dienzelven dage steelsgewijze in de stad, gelijk als het volk zich wegsteelt, dat beschaamd is, wanneer zij in den strijd gevloden zijn.
4 De koning nu had zijn aangezicht toegewonden, en de koning riep met luider stem: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!
5 Toen kwam Joab tot den koning in het huis, en zeide: Gij hebt heden beschaamd het aangezicht van al uw knechten, die uw ziel, en de ziel uwer zonen en uwer dochteren, en de ziel uwer vrouwen, en de ziel uwer bijwijven heden hebben bevrijd;
6 Liefhebbende die u haten, en hatende die u liefhebben; want gij geeft heden te kennen, dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk heden, dat zo Absalom leefde, en wij heden allen dood waren, dat het alsdan recht zou zijn in uw ogen.
7 Zo sta nu op, ga uit, en spreek naar het hart uwer knechten; want ik zweer bij den HEERE, als gij niet uitgaat, zo er een man dezen nacht bij u zal vernachten! En dit zal u kwader zijn, dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uw jeugd af tot nu toe.
8 Toen stond de koning op, en zette zich in de poort. En zij lieten al het volk weten, zeggende: Ziet, de koning zit in de poort. Toen kwam al het volk voor des konings aangezicht, maar Israel was gevloden, een iegelijk naar zijn tenten.
“God had alle reden gegeven om dankbaar en blij te zijn; de grootste opstand, die Israël ooit gekend had, was de kop ingedrukt; en toch werd deze grote overwinning veranderd in een weeklagen over hem, wiens misdaad het leven van duizenden dappere mannen had gekost…
Hoe hardvochtig en zelfs onmenselijk het verwijt ook was voor de diep bedroefde koning, toch gaf David er geen antwoord op. Hij zag in, dat zijn aanvoerder gelijk had, en ging naar beneden naar de poort, waar hij met lovende woorden zijn dappere krijgslieden begroette, toen ze hem voorbijgingen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 681-682.
A. Geef enkele latere voorbeelden van Davids voortdurende nobele geest en Gods zorg voor hem. 2 Samuël 19:18-23;2 Samuel 23:14-17.
18 Als nu de pont overvoer, om het huis des konings over te halen, en te doen, wat goed was in zijn ogen, zo viel Simei, de zoon van Gera, neder voor het aangezicht des konings, als hij over de Jordaan voer;
19 En hij zeide tot den koning: Mijn heer rekene mij niet toe de misdaad, en gedenke niet, wat uw knecht verkeerdelijk gedaan heeft, te dien dage, als mijn heer de koning uit Jeruzalem uitging, dat het de koning zich ter harte zoude nemen.
20 Want uw knecht weet het zekerlijk, ik heb gezondigd; doch zie, ik ben heden gekomen, de eerste van het ganse huis van Jozef, om mijn heer den koning tegemoet af te komen.
21 Toen antwoordde Abisai, de zoon van Zeruja, en zeide: Zou dan Simei hiervoor niet gedood worden? Zo hij toch den gezalfde des HEEREN gevloekt heeft.
22 Maar David zeide: Wat heb ik met ulieden te doen, gij zonen van Zeruja! Dat gij mij heden ten satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Israel? Want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Israel?
23 En de koning zeide tot Simei: Gij zult niet sterven. En de koning zwoer hem.
14 En David was toen in een vesting; en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.
15 En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is?
16 Toen braken die drie helden door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die in de poort is, en droegen het, en kwamen tot David; doch hij wilde dat niet drinken, maar goot het uit voor den HEERE.
17 En zeide: Het zij verre van mij, o HEERE, dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed der mannen, die heengegaan zijn met gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden.
“Na de dood van Absalom keerde God de harten van Israël, als het hart van één man, tot David. Simeï, die David had vervloekt in zijn nederigheid, uit vrees voor zijn leven, was een van de eersten van de opstandelingen, die David ontmoette bij zijn terugkeer naar Jeruzalem… Degenen, die getuigen waren van zijn verkeerde weg, drongen er bij David op aan zijn leven niet te sparen, omdat hij de gezalfde van de Heer vervloekte. Maar David bestrafte hen. Hij spaarde niet alleen het leven van Simeï, maar vergaf hem genadig.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 91.
B. Wat kon hij verklaren, hoewel het volledige herstel van Davids koninkrijk noch onmiddellijk noch gemakkelijk was? Hoofdstuk 22:1-3, 7, 18-19, 51
1 En David sprak de woorden dezes lieds tot den HEERE, ten dage als de HEERE hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.
2 Hij zeide dan: De HEERE is mij mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper.
3 God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt Gij mij verlost!
7 Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren.
18 Hij verloste mij van mijn sterken vijand, van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.
19 Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij een Steunsel.
51 Hij is een Toren der verlossingen Zijns konings, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid.
C. Welke fout beging David later in zijn leven? 1 Kronieken 21:1-7.
1 Toen stond de satan op tegen Israel, en hij porde David aan, dat hij Israel telde.
2 En David zeide tot Joab en tot de oversten des volks: Gaat heen, telt Israel van Ber-seba tot Dan toe, en brengt hen tot mij, dat ik hun getal wete.
3 Toen zeide Joab: De HEERE doe tot Zijn volk, gelijk zij nu zijn, honderdmaal meer; zijn zij niet allen, o mijn heer koning, mijn heer tot knechten? Waarom verzoekt mijn heer dit? Waarom zou het Israel tot schuld worden?
4 Doch het woord des konings nam de overhand tegen Joab; derhalve toog Joab uit, en hij doorwandelde gans Israel; daarna kwam hij weder te Jeruzalem.
5 En Joab gaf David de som van het gestelde volk; en gans Israel was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken.
6 Doch Levi en Benjamin telde hij onder dezelve niet; want des konings woord was Joab een gruwel.
7 En deze zaak was kwaad in de ogen Gods; daarom sloeg Hij Israel.
“Trots en eerzucht dreven de koning hiertoe aan. Het tellen van het volk zou de tegenstelling aantonen tussen de zwakte van het koninkrijk op het moment, dat David de troon bestegen had en de kracht en voorspoed tijdens zijn regering. Hierdoor zou het zelfvertrouwen van koning en volk nog meer gesterkt worden…. (Zie 1 Kronieken 21:1). Israëls voorspoed onder Davids bestuur was te danken aan de zegen van God, en niet zozeer aan de kundigheid van de koning of de sterkte van het leger. Maar het vergroten van de strijdkrachten van het koninkrijk zou de indruk vestigen bij de omliggende volken, dat Israël zijn vertrouwen stelde op zijn leger en niet in de macht van God.” –Patriarchen en Profeten, blz. 684.
D. Wat besefte David nederig over de volkstelling? 2 Samuël 24:10. Hoe koos hij uit de opties, die God hem gaf? Verzen 11-14
10 En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zeide tot den HEERE: Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb; maar nu, o HEERE, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan.
11 Als nu David des morgens opstond, zo geschiedde het woord des HEEREN tot den profeet Gad, Davids ziener, zeggende:
12 Ga heen, en spreek tot David: Alzo zegt de HEERE: Drie dingen draag Ik u voor; verkies u een uit die, dat Ik u doe.
13 Zo kwam Gad tot David, en maakte het hem bekend, en zeide tot hem: Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? Of wilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij? Merk nu, en zie toe, wat antwoord ik Dien zal wederbrengen, Die mij gezonden heeft.
14 Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen.
“Toch hadden ze (het volk) dezelfde zonden gekoesterd, die aanleiding waren, dat David deze telling bevolen had. Zoals de Here door de zonden van Absalom het gericht voltrok over David, strafte Hij door Davids dwaling de zonden van het volk.” –Patriarchen en Profeten, blz. 685.
A. Waarom moesten zoveel mensen lijden en wat was het gevolg van Davids voorspraak? 2 Samuël 24:15-17,2 Samuel 24:21,2 Samuel 24:25.
15 Toen gaf de HEERE een pestilentie in Israel, van den morgen af tot den gezetten tijd toe; en er stierven van het volk, van Dan tot Ber-seba toe, zeventig duizend mannen.
16 Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar te verderven, berouwde het den HEERE over dat kwaad, en Hij zeide tot den engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel des HEEREN nu was bij den dorsvloer van Arauna, den Jebusiet.
17 En David, als hij den engel zag, die het volk sloeg, sprak tot den HEERE, en zeide: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis.
21 En Arauna zeide: Waarom komt mijn heer de koning tot zijn knecht? En David zeide: Om dezen dorsvloer van u te kopen, om den HEERE een altaar te bouwen, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk.
25 En David bouwde aldaar den HEERE een altaar, en offerde brandofferen en dankofferen. Alzo werd de HEERE den lande verbeden, en deze plage van over Israel opgehouden.
“Een snelle vernietiging volgde. Zeventigduizend werden vernietigd door de pest. David en de oudsten van Israël waren in de diepste vernedering, rouwden voor de Heer. Terwijl de engel van de Heer op weg was om Jeruzalem te verwoesten, beveelt God hem zijn doodswerk te staken. Een medelijdend God houdt nog van Zijn volk, ondanks hun opstandigheid. De engel, gekleed in strijdlustige kleding, met een getrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem, wordt geopenbaard aan David en aan degenen, die bij hem waren. David is vreselijk bang, maar hij schreeuwt het uit in zijn benauwdheid en zijn medeleven met Israël. Hij smeekt God om de schapen te redden. Met pijn bekent hij: ‘Ik heb gezondigd en ik heb onrecht gedaan. Laat uw hand tegen mij zijn, en tegen het huis van mijn vader, en niet tegen het volk’. God spreekt tot David door Zijn profeet en gebiedt hem verzoening te doen voor zijn zonde. Davids hart was in het werk en zijn berouw werd aanvaard.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 92-93.
B. Hoe werden Davids gebeden om genade op zijn oude dag beantwoord in zijn laatste test? Psalm 71:9,Psalmen 71:18;1 Koningen 1:5-6,1 Koningen 1:15-21,1 Koningen 1:32-35,1 Koningen 1:39.
9 Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.
18 Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht.
5 Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagenen en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht.
6 En zijn vader had hem niet bedroefd van zijn dagen, zeggende: Waarom hebt gij alzo gedaan? En ook was hij zeer schoon van gedaante, en Haggith had hem gebaard na Absalom.
15 En Bathseba ging in tot den koning in de binnenkamer; doch de koning was zeer oud, en Abisag, de Sunamietische, diende den koning.
16 En Bathseba neigde het hoofd en boog zich neder voor den koning; en de koning zeide: Wat is u?
17 En zij zeide tot hem: Mijn heer! gij hebt uw dienstmaagd bij den HEERE, uw God, gezworen: Voorzeker Salomo, uw zoon, zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten!
18 En nu zie, Adonia is koning; en nu, mijn heer koning, gij weet het niet.
19 En hij heeft ossen, en gemest vee, en schapen in menigte geslacht, en genood al de zonen des konings, en Abjathar, den priester, en Joab, den krijgsoverste, maar uw knecht Salomo heeft hij niet genood.
20 Maar gij, mijn heer koning, de ogen van het ganse Israel zijn op u, dat gij hun zoudt te kennen geven, wie op den troon van mijn heer den koning na hem zitten zal.
21 Anders zal het geschieden, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn.
32 En de koning David zeide: Roep mij Zadok, den priester, en Nathan, den profeet, en Benaja, den zoon van Jojada; en zij kwamen voor het aangezicht des konings.
33 En de koning zeide tot hen: Neemt met u de knechten uws heren, en doet mijn zoon Salomo rijden op de muilezelin, die voor mij is; en voert hem af naar Gihon.
34 En dat Zadok, de priester, met Nathan, den profeet, hem aldaar tot koning over Israel zalven. Daarna zult gij met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve!
35 Dan zult gij achter hem optrekken, en hij zal komen, en zal op mijn troon zitten, en hij zal koning zijn in mijn plaats; want ik heb geboden, dat hij een voorganger zou zijn over Israel en over Juda.
39 En Zadok, de priester, nam den oliehoorn uit de tent, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zeide: De koning Salomo leve!
“Nu kwam hij (Adonia) in opstand tegen het gezag van God, die Salomo als troonopvolger had aangewezen. Zowel wat natuurlijke bekwaamheden als godsdienstige aard betreft was Salomo meer geschikt dan zijn oudere broeder om heerser over Israël te worden. Toch, hoewel God duidelijk zijn keus had bekendgemaakt, kreeg Adonia steun. Joab, die wel schuldig was geweest aan veel misdaden, was tot die tijd trouw gebleven aan de troon. Nu sloot hij zich echter aan bij de samenzweerders tegen Salomo, evenals Abjatar, de priester…
Onmiddellijk deed David afstand van de troon ten gunste van Salomo, die tot koning gezalfd en uitgeroepen werd. Het complot was verijdeld. De voornaamste deelnemers daaraan hadden de dood verdiend… Joab en Adonia werden op het ogenblik ook ontzien, maar na Davids dood ondergingen zij de straf voor hun misdaad. De voltrekking van het oordeel over de zoon van David maakte het viervoudig oordeel compleet, waardoor God zijn afschuw had betuigd over de zonde van de vader.” –Patriarchen en Profeten, blz. 686.
A. Verklaar Davids advies voor Salomo en zijn grootste zorg aan het einde van zijn leven. 1 Koningen 2:1-4;1 Kronieken 28:9.
1 Als nu de dagen van David nabij waren, dat hij sterven zou, zo gebood hij zijn zoon Salomo, zeggende:
2 Ik ga heen in den weg der ganse aarde, zo wees sterk, en wees een man.
3 En neem waar de wacht des HEEREN, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult;
4 Opdat de HEERE bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Indien uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun ganse hart en met hun ganse ziel te wandelen, zo zal geen man, zeide Hij, u afgesneden worden van den troon Israels.
9 En gij, mijn zoon Salomo, ken den God uws vaders, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want de HEERE doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het gedichtsel der gedachten; indien gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar indien gij Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten.
“David voelt de grootste zorg voor Salomo… Hij heeft uit ervaring geleerd, dat de Heer in geen geval verkeerd doen zal goedkeuren, of het nu gaat om de verheven prins of de nederigste onderdaan, maar de leider van Zijn volk zou bezoeken met een even zwaardere straf als zijn positie meer verantwoordelijk is dan de nederige onderdaan. De zonden, begaan door de leiders van Israël, zouden een invloed hebben om de gruwelijkheid van misdaad op de geest en het geweten van de mensen te verminderen, en zouden onder de aandacht worden gebracht van andere naties, die God niet vrezen, maar die Zijn gezag met voeten treden, en zij zouden worden geleid om de God van Israël te lasteren. David draagt zijn zoon plechtig op zich strikt te houden aan de wet van God en al Zijn inzettingen te onderhouden.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 94-95.
B. Waar richtte David zich nu nog meer op? Verzen 10, 20; 29:3, 9.
10 Zie nu toe, want de HEERE heeft u verkoren, dat gij een huis ten heiligdom bouwt; wees sterk, en doe het.
“De Heer gaf David aanwijzingen door Zijn engel en gaf hem een voorbeeld van het huis, dat Salomo voor Hem moest bouwen. Een engel kreeg de opdracht om David bij te staan, terwijl hij, ten behoeve van Salomo, de belangrijke richtlijnen met betrekking tot de inrichting van het huis opschreef. Davids hart was bij het werk. Hij gaf blijk van ernst en toewijding bij het maken van uitgebreide voorbereidingen voor de bouw, en spaarde kosten noch moeite, maar deed grote schenkingen uit zijn eigen schatkist, waarmee hij zijn volk een nobel voorbeeld gaf, welke zij niet aarzelden het met een gewillig hart na te volgen.” –Spiritual Gifts 4A, blz.94.
C. Hoe kan Davids voorbeeld de ouderen inspireren? Psalm 71:1;Psalmen 119:132-133.
1 Op U, o HEERE! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.
132 Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
133 Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
“David geeft bij het regelen van zijn zaken een goed voorbeeld aan allen, die in jaren vergevorderd zijn, om hun zaken te regelen, zolang zij daartoe in staat zijn, zodat, wanneer zij de dood nabij zullen zijn en hun mentale vermogens minder worden, zij niets zullen hebben van een wereldse aard om hun geest van God af te leiden.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 96.
A. Hoe is de belofte in 2 Samuël 7:16 vervuld? Lukas 1:30-33;Handelingen 2:29-36.
16 Doch uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.
30 En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.
31 En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.
32 Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.
33 En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.
29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.
30 Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.
32 Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
33 Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.
34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand.
35 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
36 Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.
B. Welke door David opgeschreven boodschap is van onmiskenbaar belang in deze laatste dagen van de geschiedenis van de aarde? Psalm 119:17-18,Psalmen 119:33-40,Psalmen 119:126-127.
17 Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
18 Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
33 He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34 Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35 Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
36 Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.
37 Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
38 Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
39 Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
40 Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
126 Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.
127 Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
“Het is mogelijk, dat mensen in hun boosheid zo ver gaan onder aanhoudend tegenspreken, dat God beseft, dat Hij moet opstaan om Zijn eer te rechtvaardigen. Dat is het geval in de huidige periode van de wereldgeschiedenis. Allerlei misdaden zijn steeds opvallender te zien. De aarde is vervuld met geweld van de mens tegen zijn medemens.
Wat zal de houding van de gemeente zijn? Zullen zij, die in het verleden respect hebben gehad voor Gods wet, meegesleept worden door de stroom van het kwaad? Zal de bijna universele overtreding en verachting van Gods wet de geestelijke atmosfeer van ieders ziel op dezelfde wijze verduisteren? Zal de verachting voor Gods wet de beschermende grenzen wegsleuren? Moet Gods wet minder hoog geacht worden, omdat de boosheid en wetteloosheid de overhand hebben? Zullen de weinige getrouwen gelijk worden aan allen, die ontrouw zijn en handelen als de goddelozen, omdat de wet teniet gedaan wordt door de grote meerderheid van hen, die op aarde leven? Moeten ze niet liever de bede van David opzenden: ‘Het is tijd voor de Heere om te handelen, zij hebben Uw wet verbroken’?” –Bijbelkommentaar, blz. 193-194.
“(Zie Psalm 119:17-18, 33-40). Gebeden als deze moeten Gods dienstknechten gedurig tot Hem richten. Dit gebed openbaart toewijding van verstand en hart jegens God; deze toewijding vraagt God van ons.” –Bijbelkommentaar, blz. 192.
1. Wat kunnen wij leren van Davids antwoord op Joabs bestraffing?
2. Op welke gebieden van het leven zou ik verleid kunnen worden om dezelfde zonde te begaan, als David deed in zijn volkstelling?
3. Noem het viervoudige oordeel over Davids zonen en hoe is dit een waarschuwing voor ons.
4. Hoe kunnen wij allen, net als David, het beste van onze oudere jaren maken?
5. Welke oproep doet David via de psalmen aan ons in deze tijd?