Les 11 — SABBAT, 12 december 2020
Het Koninkrijk aankondigen
Tekst om te onthouden
“Ik moet werken de werken van Hem, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan”
Johannes 9:4
“De triomfantelijke intocht van Christus in Jeruzalem was een zwakke voorafschaduwing van Zijn komst op de wolken des hemels in macht en heerlijkheid, te midden van het gejubel der engelen en de vreugde der heiligen.” –De Wens der Eeuwen, blz. 503.
Aanvullende studie : -De Wens der Eeuwen, blz. 458-464;; 494-498;; 510-514.
A. Wat was altijd in de gedachten van Jezus, toen Hij Zijn levenswerk overwoog en hoe moet het ons beïnvloeden?
4Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.
34Jezus zeide tot hen: Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge.
“Het aardse leven van de Zaligmaker was geen gemakkelijk leven en het was niet gericht op Zijn eigen belang. Hij zwoegde met een aanhoudend, ernstig, onvermoeibaar pogen om de verloren mensheid te verlossen. Vanaf de kribbe tot aan Golgotha volgde Hij het pad van zelfverloochening Hij was er nooit op uit om bevrijd te worden van moeilijke opdrachten, inspannende reizen of uitputtende zorgen en arbeid. Hij zei: ‘De Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (Matthéüs 20:28). Dit was het grote doel in Zijn leven. Al het andere kwam op het tweede plan en was daaraan ondergeschikt. Het was Zijn ‘spijze en drank’ om de wil van God te doen en om Zijn werk tot een goed einde te brengen. In Zijn werk speelden Zijn eigen-Ik en eigenbelang geen rol.
Zo zullen ook degenen, die deelhebben aan de genade van Christus, er niet tegen op zien om welk offer ook te brengen, opdat anderen, voor wie Hij eveneens stierf, mogen delen in de hemelse gave.” –Schreden naar Christus, blz. 92-93.
B. Wat was Jezus’ antwoord, toen Hem werd gevraagd dingen te doen, die Zijn tijd om te werken zou verkorten?
A. Wat liet God gebeuren met één van Jezus’ beste vrienden, en wanneer ging Jezus naar hem toe?
“Indien Christus in de ziekenkamer was geweest, zou Lazarus niet zijn gestorven; want dan zou Satan geen macht over hem hebben gehad. De dood zou zijn pijl niet op Lazarus hebben gericht in de tegenwoordigheid van de Levengever. Daarom bleef Christus weg. Hij liet toe, dat de vijand zijn macht toonde en uitoefende, opdat Hij hem zou kunnen terugdrijven als overwonnen tegenstander…
Indien Hij hem van zijn ziekte genezen en hem zijn gezondheid hergeven zou hebben, zou het wonder, dat het duidelijkste bewijs van Zijn goddelijk karakter is, niet verricht zijn.” –De Wens der Eeuwen, blz. 457.
B. Wat deed Jezus vervolgens?
38Jezus dan wederom in Zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd.
39Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot Hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.
40Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?
41Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.
42Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.
43En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom uit!
44En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan.
“Christus had de steen kunnen gebieden zich te verwijderen, en de steen zou Zijn stem hebben gehoorzaamd. Hij had de engelen, die aan Zijn zijde waren, bevel kunnen geven, dit te doen. Maar de steen moest door mensenhanden worden weggenomen. Zo wilde Christus aantonen, dat de mens moet samenwerken met God. Goddelijke kracht krijgt geen bevel om datgene te doen, wat menselijke kracht kan doen. God handelt niet zonder de hulp van mensen. Hij geeft hun kracht en werkt samen met hen, wanneer zij de hun gegeven krachten en bekwaamheden gebruiken.“ –De Wens der Eeuwen, blz. 463.
C. Wat was de reactie van de priesters en leiders?
47De overpriesters dan en de Farizeen vergaderden den raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen.
48Indien wij Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk.
49En een uit hen, namelijk Kajafas, die deszelven jaars hogepriester was, zeide tot hen: Gij verstaat niets;
50En gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat een mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga.
51En dit zeide hij niet uit zichzelven; maar, zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk;
52En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen.
53Van dien dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.
54Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden; maar ging van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad, genaamd Efraim, en verkeerde aldaar met Zijn discipelen.
“Velen, die getuigen waren van de opwekking van Lazarus, werden tot het geloof in Jezus gebracht. Maar de haat van de priesters tegen Hem nam toe… Zij waren meer dan ooit besloten om een einde te maken aan het werk van Christus…
Tot dusverre hadden de Sadduceeën het plan om Christus ter dood te brengen, niet aangemoedigd. Maar na de opwekking van Lazarus besloten zij, dat alleen door Zijn dood Zijn onverschrokken aanklachten tegen hen tot een einde gebracht konden worden .“ –De Wens der Eeuwen, blz. 465-466.
“Christus’ meest opzienbarende wonder, de opwekking van Lazarus, had het voornemen van de priesters bekrachtigd, de wereld te ontdoen van Jezus en Zijn wonderbare werken, die de invloed, die zijzelf op het volk hadden, teniet deden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 47-48.
A. Beschrijf de voorbereidingen voor Jezus’ komst in Jeruzalem voor de laatste keer.
1En toen zij Jeruzalem genaakten, te Beth-fage en Bethanie, aan den Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit,
2En zeide tot hen: Gaat heen in het vlek, dat tegen u over is; en terstond als gij in hetzelve komt, zult gij vinden een veulen gebonden, op hetwelk geen mens gezeten heeft, ontbindt het, en brengt het.
3En indien iemand tot u zegt: Waarom doet gij dat? Zo zegt, dat de Heere hetzelve van node heeft; en hij zal het terstond herwaarts zenden.
4En zij gingen heen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve.
5En sommigen van degenen, die aldaar stonden, zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt?
6Doch zij zeiden tot hen, gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten hen gaan.
7En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hun klederen daarop; en Hij zat op hetzelve.
8En velen spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen meien van de bomen, en spreidden ze op den weg.
9En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna, gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!
10Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!
B. Welke Oudtestamentische profetieën werden door Christus vervuld, toen Hij Zich als een koning liet verwelkomen?
10Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt den weg des volks; verhoogt, verhoogt een baan, ruimt de stenen weg, steekt een banier omhoog tot de volken!
11Ziet, de HEERE heeft doen horen, tot aan het einde der aarde: zegt de dochter van Sion: Zie, uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
C. Wat was de reactie van het volk op deze gebeurtenis? Hoe beïnvloedde dit de toekomst van Jezus?
“Degenen, die eens blind zijn geweest … zijn de eersten, die de weg wijzen in die wonderbare processie… Degene, die Hij uit de dood heeft opgewekt, leidt het dier, waarop Hij is gezeten. Die eens doof en stom waren, helpen, met geopende oren en losgemaakte tongen, de blijde hosanna’s aan te zwellen. Verlamden, met opgewekte stappen en dankbare harten, zijn nu het meest actief in het afbreken van de palmtakken en deze op Zijn pad te strooien als hun eerbetoon aan de machtige Genezer. De melaatse, die heeft geluisterd naar de gevreesde woorden van de priester: ‘Onrein’ … is hier… De bezetene is hier, niet nu om de woorden door Satans macht van zijn lippen te ontwringen.” –Christ Triumphant, blz. 253.
“Van de mensen, die samengekomen zijn om het Pascha te vieren, gaan duizenden uit om Jezus welkom te heten, Zij begroeten Hem door met palmtakken te wuiven en met het uitjubelen van gewijde liederen. De priesters in de tempel blazen de bazuin voor de avonddienst, maar er zijn slechts weinig mensen, die daaraan gehoor geven, en de oversten zeggen verontrust tegen elkander: “De gehele wereld loopt Hem na”.
Nooit tevoren tijdens Zijn leven op aarde had Jezus een dergelijke demonstratie toegelaten. Hij voorzag duidelijk, wat het gevolg hiervan zou zijn. Het zou Hem aan het kruis brengen…
De gebeurtenissen, die verbonden waren met deze triomftocht, zouden door iedereen besproken worden en Jezus in ieders gedachten brengen. Na de kruisiging zouden velen zich deze gebeurtenissen, in verband met Zijn terechtstelling en dood, herinneren. Zij zouden ertoe worden gebracht, de profetieën te bestuderen, en zouden ervan worden overtuigd, dat Jezus deMessias was; en in alle landen zou het aantal bekeerlingen, die tot het geloof kwamen, toenemen.“ –De Wens der Eeuwen, blz. 496.
A. Wat was één van de eerste dingen, die Jezus deed, toen Hij Jeruzalem binnen kwam?
15En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus, in den tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in den tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om;
16En liet niet toe, dat iemand enig vat door den tempel droeg.
17En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken? Maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.
“Aan het begin van Zijn dienstwerk had Christus allen, die door hun onheilige handel de tempel verontreinigden, daaruit verdreven; en Zijn streng en van goddelijk gezag getuigend optreden had de berekenende kooplieden met angst vervuld. Aan het einde van Zijn dienstwerk kwam Hij wederom naar de tempel en bemerkte, dat deze nog steeds werd ontheiligd, zoals dit eertijds gebeurde. De stand van zaken was zelfs nog erger dan vroeger…
De verontwaardiging van Jezus werd opgewekt; Hij wist, dat Zijn bloed, dat zo spoedig voor de zonden van de wereld zou worden vergoten, door de priesters en de oudsten even weinig waard geacht zou worden als dierenbloed, dat zij voortdurend deden vloeien…
Christus sprak met een kracht als een geweldige storm, die de mensen deed zwiepen: ‘Staat er niet geschreven, dat Mijn huis een bedehuis zal heten voor alle volken? Maar gij hebt het tot een rovershol gemaakt’. Zijn stem klonk als een bazuin door de tempel. De ontstemming op Zijn gelaat scheen een verterend vuur. Met gezag beval Hij: ‘Neemt dit alles hier vandaan’ (Johannes 2:16)” –De Wens der Eeuwen, blz. 510, 511, 511-512.
B. Wat was de reactie van de priesters? Waarom voelden zij zich zo?
18En de Schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en zochten, hoe zij Hem doden zouden; want zij vreesden Hem, omdat de ganse schare ontzet was over Zijn leer.
“De Farizeeën waren uitermate in de war en ontsteld. Iemand, Wie zij geen vrees konden inboezemen, beheerste hier het terrein. Jezus had Zijn plaats ingenomen als wachter van de tempel. Nooit tevoren had Hij zulk een koninklijk gezag gebruikt. Nooit tevoren hadden Zijn woorden en werken zo’n grote macht bezeten. Hij had heerlijke dingen gedaan in geheel Jeruzalem, maar nooit op zulk een plechtige en indrukwekkende wijze. In aanwezigheid van de mensen, die getuigen waren geweest van Zijn wonderwerken, durfden de priesters en oversten Hem niet openlijk hun vijandigheid te tonen. Hoewel zij vertoornd en verbijsterd waren door Zijn antwoord, konden zij die dag verder niets bereiken.“ –De Wens der Eeuwen, blz. 513.
A. Vertel de gelijkenis, die Jezus toen tot de mensen sprak.
1En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands.
2En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.
3Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.
4En hij zond wederom een anderen dienstknecht tot hen, en dien stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde.
5En wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden.
6Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.
7Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn.
8En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard.
9Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.
10Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks;
11Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
B. Wat was de reactie van de leiders van Israël? Waarom?
12En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.
““De sprekers hadden aanvankelijk de toepassing van de gelijkenis niet begrepen, maar nu zagen ze in, dat ze hun eigen veroordeling hadden uitgesproken. In de gelijkenis stelde de heer des huizes God voor, de wijngaard het Joodse volk, en de heg de goddelijke wet, die hun bescherming was. De toren was een symbool van de tempel. De heer van de wijngaard had alles gedaan, wat nodig was om de wijngaard te doen gedijen. ‘Wat was er nog aan Mijn wijngaard te doen’, zegt Hij, ‘dat Ik er niet aan gedaan heb?’ (Jesaja 5:4). Aldus werd Gods onvermoeide zorg voor Israël voorgesteld. En zoals de pachters een verschuldigd gedeelte van vruchten van de wijngaard aan de heer moesten teruggeven, zo moest Gods volk Hem eren door een leven, dat in overeenstemming was met hun heilige voorrechten. Maar zoals de pachters de slaven hadden gedood, die de meester tot hen had gezonden om de vruchten te halen, zo hadden de Joden de profeten ter dood gebracht, die God gezonden had om hen op te roepen tot berouw. Boodschapper na boodschapper was gedood. Tot dusverre kon men niet twijfelen aan de toepassing van de gelijkenis, en in hetgeen volgde was het verhaal niet minder duidelijk. In de geliefde zoon, die de heer van de wijngaard ten slotte naar zijn ongehoorzame dienstknechten zond, en die zij grepen en ter dood brachten, zagen de priesters en oversten een duidelijk beeld van Jezus en het lot, dat Hem te wachten stond. Reeds maakten ze plannen om Hem te doden, Die de Vader als een laatste beroep op hen gezonden had. Met de vergelding, die over de ondankbare pachters kwam, werd de ondergang beschreven van hen, die Christus ter dood zouden brengen.” –De Wens der Eeuwen, blz. 517.
Terugblik
1. Wat was het grote doel van Jezus’ leven?2. Hoe bespoedigde de opwekking van Lazarus het komende koninkrijk?3. Hoe zou de meest opzienbarende binnenkomst zielen overtuigen van Jezus’ goddelijkheid?4. Wat was het gevolg van de tweede keer, dat Jezus de tempel reinigde?5. Welk duidelijk beeld werd door de gelijkenis van de wijngaard aan de priesters en leiders getoond? Hoe reageerden zij?