Les 4 — Sabbat, 25 januari 2020
De plagen van Egypte
Tekst om te onthouden
“Waarom toch zoudt gij uw harten verzwaren, gelijk de Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen Hij wonderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken, dat zij heengingen?”
1 Samuel 6:6
“God vernietigt geen mens. Wie vernietigd wordt, heeft dat aan zichzelf te wijten. Iedereen, die de stem van het geweten het zwijgen oplegt, zaait het zaad van ongeloof, en dit zal absoluut een oogst voortbrengen.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 48.
Aanvullende studie: Patriarchen en Profeten, blz. 230-238.
A. Wat was de eerste plaag en waarom werd deze gezonden?
14Toen zeide de HEERE tot Mozes: Farao's hart is zwaar; hij weigert het volk te laten trekken.
15Ga heen tot Farao in den morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het water toe, zo stel u tegen hem over aan den oever der rivier, en den staf, die in een slang is veranderd geweest, zult gij in uw hand nemen.
16En gij zult tot hem zeggen: de HEERE, de God der Hebreen, heeft mij tot u gezonden, zeggende: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij diene in de woestijn; doch zie, gij hebt tot nu toe niet gehoord.
17Zo zegt de HEERE: Daaraan zult gij weten, dat Ik de HEERE ben; zie, ik zal met dezen staf, die in mijn hand is, op het water, dat in deze rivier is, slaan, en het zal in bloed veranderd worden.
18En de vis in de rivier zal sterven, zodat de rivier zal stinken; en de Egyptenaars zullen vermoeid worden, dat zij het water uit de rivier drinken mogen.
19Verder zeide de HEERE tot Mozes: zeg tot Aaron: Neem uw staf, en steek uw hand uit over de wateren der Egyptenaren, over hun stromen, over hun rivieren, en over hun poelen, en over alle vergadering hunner wateren, dat zij bloed worden; en er zij bloed in het ganse Egypteland, beide in houten en in stenen vaten.
20Mozes nu en Aaron deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en hij hief den staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd.
21En de vis, die in de rivier was, stierf; en de rivier stonk, zodat de Egyptenaars het water uit de rivier niet drinken konden; en er was bloed in het ganse Egypteland.
“Tijdens de plagen in Egypte was Farao nauwgezet in zijn bijgelovige toewijding aan de rivier en bezocht deze elke ochtend, en terwijl hij op zijn oever stond, bood hij lof en dank aan het water, vertelde het grote goede, dat het had gerealiseerd, en vertelde het water van zijn grote kracht; dat zij zonder dit niet konden bestaan; want hun landerijen werden erdoor bewaterd en het leverde vlees voor hun tafels.” –Spiritual Gifts 4a, blz. 54-55.
B. Wat was de tweede plaag en hoe koos God ervoor de gevolgen van deze plaag weg te nemen?
2En indien gij het weigert te laten trekken, zie, zo zal Ik uw ganse landpale met vorsen slaan;
3Dat de rivier van vorsen zal krielen, die zullen opkomen, en in uw huis komen, en in uw slaapkamer, ja, op uw bed; ook in de huizen uwer knechten, en op uw volk, en in uw bakovens, en in uw baktroggen.
4En de vorsen zullen opkomen, op u, en op uw volk, en op al uw knechten.
5Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aaron: Strek uw hand uit met uw staf, over de stromen, en over de rivieren, en over de poelen; en doe vorsen opkomen over Egypteland.
6En Aaron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen vorsen op en bedekten Egypteland.
7Toen deden de tovenaars ook alzo, met hun bezweringen; en zij deden vorsen over Egypteland opkomen.
8En Farao riep Mozes en Aaron, en zeide: Bidt vuriglijk tot den HEERE, dat Hij de vorsen van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij den HEERE offeren.
9Doch Mozes zeide tot Farao: Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uw knechten, en voor uw volk, vuriglijk bidden, om deze vorsen van u en van uw huizen te verdelgen, dat zij alleen in de rivier overblijven?
10Hij dan zeide: Tegen morgen. En hij zeide: Het zij naar uw woord, opdat gij weet, dat er niemand is, gelijk de HEERE, onze God.
11Zo zullen de vorsen van u, en van uw huizen, en van uw knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven.
12Toen ging Mozes en Aaron uit van Farao; en Mozes riep tot den HEERE, ter oorzake der vorsen, die Hij Farao had opgelegd.
13En de HEERE deed naar het woord van Mozes; en de vorsen stierven, uit de huizen, uit de voorzalen, en uit de velden.
14En zij vergaderden ze samen bij hopen, en het land stonk.
“De kikvors werd door de Egyptenaren beschouwd als heilig en ze wilden ze niet vernietigen; maar de glibberige dieren waren nu onverdraaglijk geworden…
De Here had kunnen maken, dat ze in een ogenblik waren veranderd in stof, maar Hij deed het niet, zodat de koning en zijn volk niet zouden kunnen spreken van toverij of bezweringen, zoals de tovenaars dat deden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 231-232.
A. Hoe maakte de Heer een onderscheid bij hen, die door de vierde plaag werden getroffen?
20Verder zeide de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht; zie, hij zal aan het water uitgaan, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen;
21Want zo gij Mijn volk niet laat trekken, zie, zo zal Ik een vermenging van ongedierte zenden op u, en op uw knechten, en op uw volk, en in uw huizen; alzo dat de huizen der Egyptenaren met deze vermenging zullen vervuld worden, en ook het aardrijk, waarop zij zijn.
22En Ik zal te dien dage het land Gosen, waarin Mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat gij weet, dat Ik, de HEERE, in het midden dezes lands ben.
23En Ik zal een verlossing zetten tussen Mijn volk en tussen uw volk; tegen morgen zal dit teken geschieden!
24En de HEERE deed alzo; en er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Farao, en in de huizen van zijn knechten, en over het ganse Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging.
“Vliegen vulden de huizen en zwermden over de grond, zodat het land erdoor geteisterd werd. Deze vliegen waren groot en giftig, en hun steek was buitengewoon pijnlijk voor mens en dier. Zoals voorzegd was, werd het land Gosen niet door deze plaag getroffen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 232.
B. Welk verder onderscheid werd door God gemaakt bij de vijfde en negende plagen?
1Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Farao, en spreek tot hem: Alzo zegt de HEERE, de God der Hebreen: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij diene.
2Want zo gij hen weigert te laten trekken, en gij hen nog met geweld ophoudt,
3Zie, de hand des HEEREN zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kemelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie.
4En de HEERE zal een afzondering maken tussen het vee der Israelieten, en tussen het vee der Egyptenaren, dat er niets sterve van al wat van de kinderen Israels is.
5En de HEERE bestemde een zekeren tijd, zeggende: Morgen zal de HEERE deze zaak in dit land doen.
6En de HEERE deed deze zaak des anderen daags; en al het vee der Egyptenaren stierf; maar van het vee der kinderen Israels stierf niet een.
22Als Mozes zijn hand uitstrekte naar den hemel, werd er een dikke duisternis in het ganse Egypteland, drie dagen.
23Zij zagen de een de ander niet; er stond ook niemand op van zijn plaats, in drie dagen; maar bij al de kinderen Israels was het licht in hun woningen.
“Een nog zwaardere slag volgde, veepest trof al het Egyptische vee, dat op het land was. Zowel de heilige dieren als de lastdieren, koeien, ossen en schapen, paarden, kamelen en ezels werden gedood. Er was duidelijk verklaard, dat de Hebreeën niet getroffen zouden worden; en toen Farao boden zond naar het land der Israëlieten, bleek de waarheid van Mozes’ woorden. ‘Van het vee der Israëlieten was zelfs niet een stuk gestorven’. Toch bleef de koning hardnekkig.” –Patriarchen en Profeten, blz. 232-233.
“Plotseling daalde over het land een duisternis, zo dicht en zwart, dat het leek of men het duister kon voelen. Niet alleen waren de mensen van licht verstoken, maar ook was de atmosfeer zo drukkend, dat de ademhaling bemoeilijkt werd. ‘Niemand kon een ander zien, noch van zijn plaats opstaan; maar alle Israëlieten hadden licht, waar ze woonden’. De zon en de maan waren voorwerpen van aanbidding voor de Egyptenaren; in deze geheimzinnige duisternis werden mensen en goden getroffen door de macht, die zich had ingezet voor de zaak van hun slaven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 237.
C. Welke zorg beloofde de Heer, dat Zijn volk zou hebben? Hoe werd deze zorg later uitgebreid tot de Egyptenaren tijdens de negende plaag?
43Juicht, gij heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed Zijner knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen wederkeren, en verzoenen Zijn land en Zijn volk.
“Vreeswekkend echter als dit alles was, toch is dit oordeel een bewijs van Gods medelijden en Zijn tegenzin om te verderven. Hij zou het volk tijd geven om na te denken en zich te bekeren alvorens Hij de laatste en verschrikkelijkste van alle plagen over hen zou uitstorten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 237.
A. Wat was de reactie van de tovenaars op de derde plaag?
18De tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten; doch zij konden niet; zo waren de luizen aan de mensen, en aan het vee.
19Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Doch Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.
“Op bevel van God strekte Aäron zijn hand uit, en het stof der aarde werd muggen in heel het land Egypte. Farao riep de tovenaars om hetzelfde te doen, maar ze konden het niet. Nu bleek, dat Gods werk boven dat van Satan stond. De tovenaars zelf moesten erkennen: ’Dit is Gods vinger’. Maar de koning stoorde zich er niet aan.” –Patriarchen en Profeten, blz. 232.
B. Hoe gaf God Mozes de opdracht om de plaag van zweren te introduceren? Wat was veel betekenend aan de as, die uit de oven kwam?
8Toen zeide de HEERE tot Mozes en tot Aaron: Neemt gijlieden uw vuisten vol as uit den oven; en Mozes strooie die naar de hemel voor de ogen van Farao.
9En zij zal tot klein stof worden over het ganse Egypteland; en zij zal aan de mensen, en aan het vee worden tot zweren, uitbrekende met blaren, in het ganse Egypteland.
10En zij namen as uit den oven, en stonden voor Farao's aangezicht; en Mozes strooide die naar den hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan de mensen en aan het vee;
“Mozes kreeg nu de opdracht as uit een oven te nemen en dit in de lucht te strooien voor de ogen van Farao. Deze daad had een diepe betekenis. Vierhonderd jaar geleden had God aan Abraham de toekomstige verdrukking getoond van Zijn volk onder het beeld van een rokende oven en een brandende fakkel. Hij had verklaard, dat Hij hun verdrukkers met Zijn oordelen zou bezoeken, en de gevangenen met grote have zou terugbrengen. In Egypte had Israël lang gezucht in de oven der beproeving. Deze daad van Mozes was voor hen de verzekering, dat God gedacht aan Zijn verbond, en dat de tijd voor hun bevrijding was gekomen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 233.
C. Welk effect hadden de zweren op de tovenaars?
11Alzo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren.
“Toen de as in de lucht werd geworpen, verspreidden de fijne deeltjes zich over het hele land van Egypte, en waar het neerkwam, veroorzaakte het zweren, die als puisten uitbraken bij mens en dier. Tot nu toe hadden de priesters en de tovenaars Farao aangemoedigd in zijn hardnekkigheid, maar nu kwam een oordeel, dat ook hen trof. Getroffen door een afschuwelijke en pijnlijke ziekte konden ze, waar hun voorgewende macht hen slechts bespottelijk maakte, niet langer strijden tegen de God van Israël. Heel het volk moest de dwaasheid zien van het vertrouwen in de tovenaars, die niet eens hun eigen persoon konden beschermen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 233.
A. Hoe waarschuwde God de Egyptenaren in genade betreffende de zevende plaag, en wat waren de gevolgen?
18Zie, Ik zal morgen omtrent dezen tijd een zeer zware hagel doen regenen, desgelijks in Egypte niet geweest is van dien dag af, dat het gegrond is, tot nu toe.
19En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat gij op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven.
20Wie onder Farao's knechten des HEEREN woord vreesde, die deed zijn knechten en zijn vee in de huizen vlieden;
21Doch die zijn hart niet zette tot des HEEREN woord, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld.
“Regen of hagel was iets ongewoons in Egypte, en een storm zoals voorzegd was, had men nog niet eerder meegemaakt. Het bericht verspreidde zich snel, en allen, die het woord des Heren geloofden, brachten hun vee naar binnen, terwijl zij, die de waarschuwing verachtten, hun vee op het veld lieten. Zo werd te midden van Gods oordelen Zijn genade gezien, werd het volk op de proef gesteld, en het bleek hoevelen ertoe gekomen waren God te vrezen door de blijken van Zijn macht…
Verwoesting en schade tekenden het pad van de engel des verderfs. Alleen het land Gosen bleef gespaard. Aan de Egyptenaren werd getoond, dat de aarde onder de heerschappij van de levende God staat, dat de elementen luisteren naar Zijn stem, en dat de enige veiligheid ligt in gehoorzaamheid aan Hem.” –Patriarchen en Profeten, blz. 235.
B. Nadat God de Egyptenaren had gewaarschuwd voor de achtste sprinkhanenplaag, wat toonde toen, dat de dienaren van Farao bang waren voor God?
7En de knechten van Farao zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot een strik zijn, laat de mannen trekken, dat zij den HEERE hun God dienen! weet gij nog niet, dat Egypte verloren is?
“De raadslieden van de koning stonden verbijsterd. Het volk had grote verliezen geleden door de dood van hun vee. Velen van het volk waren door de hagel gedood. De bossen waren platgeslagen en de oogst was vernietigd. Achter elkaar verloren ze alles, wat ze door de arbeid van de Hebreeën hadden gewonnen. Heel het land werd met hongersnood bedreigd. Vorsten en hovelingen verdrongen zich rond de koning en eisten woedend: Hoe lang zal deze ons tot een valstrik zijn? Laat die mannen gaan om de Here, hun God, te dienen. Beseft gij nog niet, dat Egypte te gronde gaat?” –Patriarchen en Profeten, blz. 236.
C. Hoe liet Farao zien, na alles wat er tot nu toe was gebeurd, dat hij nog steeds niet bereid was om heel Israël te laten gaan?
8Toen werden Mozes en Aaron weder tot Farao gebracht, en hij zeide tot hen: Gaat henen, dient den HEERE, uw God! wie en wie zijn zij, die gaan zullen?
9En Mozes zeide: Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude lieden; met onze zonen en met onze dochteren, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want wij hebben een feest des HEEREN.
10Toen zeide hij tot hen: De HEERE zij alzo met ulieden, gelijk ik u en uw kleine kinderen zal trekken laten: ziet toe, want er is kwaad voor ulieder aangezicht!
11Niet alzo gij, mannen, gaat nu heen, en dient den HEERE; want dat hebt gijlieden verzocht! En men dreef hen uit van Farao's aangezicht.
“Farao had getracht de Israëlieten door zware arbeid uit te roeien, maar nu gaf hij voor diepe belangstelling te koesteren voor hun welzijn en tedere zorg voor hun kleinen. Zijn werkelijke bedoeling was de vrouwen en kinderen achter te houden als borg voor de terugkeer der mannen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 237.
A. Wat was het effect op Farao van elk opeenvolgend oordeel van God?
7En Farao zond er heen, en ziet, van het vee van Israel was niet tot een toe gestorven. Doch het hart van Farao werd verzwaard, en hij liet het volk niet trekken.
35Alzo werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen Israels niet trekken liet, gelijk als de HEERE gesproken had door Mozes.
3Zo gingen Mozes en Aaron tot Farao, en zeiden tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der Hebreen: Hoe lang weigert gij u voor Mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.
“God spreekt tot de mens door Zijn dienstknechten, waarschuwt, vermaant en bestraft de zonde. Hij geeft een ieder de gelegenheid om zijn dwalingen te verbeteren, voor ze vastgeroest raken in het karakter; maar als men weigert zich te laten gezeggen, komt geen goddelijke macht tussenbeide om in te gaan tegen de handelingen van de mens. Hij vindt het steeds gemakkelijker om dezelfde weg te volgen. Hij verhardt zijn hart tegen de invloed van de Heilige Geest. Een verder verwerpen van het licht brengt hem daar, waar een krachtiger invloed niet langer in staat zal zijn een blijvende indruk achter te laten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 234.
B. Met wat is deze zonde te vergelijken, toen Farao ervoor koos opstandig te zijn tegen God, en wat is altijd het gevolg van zo’n keuze?
23Want wederspannigheid is een zonde der toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat gij des HEEREN woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn.
14Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.
“Wie een verstoktheid als van een ongelovige openbaart, en onverschillig is voor Gods waarheid, oogst slechts datgene, wat hij zelf gezaaid heeft. Op deze wijze komen velen ertoe met kille onverschilligheid te luisteren naar de waarheden, die eenmaal de ziel hebben ontroerd. Ze hebben onachtzaamheid en weerstand tegen de waarheid gezaaid en de oogst, die ze binnenhalen, is overeenkomstig.” –Patriarchen en Profeten, blz. 234.
Terugblik
1. Hoe werd getoond, dat de goden van Egypte ondergeschikt waren aan de God van de hemel tijdens de eerste en tweede plaag?2. Hoe toonde God tijdens de plagen Zijn zorg voor zowel Zijn volk als de Egyptenaren?3. Hoe gaven de luizen en de zweren een nederlaag voor de tovenaars?4. Hoe lieten de Egyptenaren zien, dat zij Gods Woord geloofden aangaande de komende hagelplaag? Hoe laten wij geloof in Gods Woord zien?5. Welke twee houdingen leiden tot ongeloof?